Belanghebbende had in 2001 aandelen in [D] BV verworven en deze in 2004 verkocht aan [E] BV, waarbij een deel van de koopsom werd voldaan via een annuïteitenlening. In 2012 werd een nadere overeenkomst gesloten waarin de maandelijkse termijnen van de lening werden verlaagd vanwege gewijzigde marktomstandigheden, met name de invoering van de kansspelbelasting.
Belanghebbende stelde dat deze verlaging een negatief vervreemdingsvoordeel opleverde dat volgens artikel 4.29, tweede lid, Wet IB 2001 in aanmerking moest worden genomen, terwijl de Inspecteur dit betwistte en stelde dat belanghebbende om baat afstand had gedaan van het recht op betaling van de koopsom en dat de lening onderdeel was van Box 3.
Het Hof overwoog dat er een onverbrekelijke samenhang bestaat tussen de verkoop van de aandelen en de annuïteitenlening, waardoor de lening als deel van de overdrachtsprijs moet worden gezien. De verlaging van de lening in 2012 is daarom een verlaging van de overdrachtsprijs en leidt tot een negatief vervreemdingsvoordeel dat in 2012 in aanmerking moet worden genomen.
De civielrechtelijke kwalificatie werd niet beslissend geacht; het Hof paste een zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie toe. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd.