Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
- [cliënt A] ;
- [cliënt B] ;
- [cliënt C] ;
- [cliënt D] ;
- [cliënt E] ;
- [cliënt F] ;
- [cliënt G] ;
- [cliënt H] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze arbeidsgeschilprocedure ging het om een hoger beroep in kort geding waarin de schorsing van een relatiebeding tussen een werknemer en een werkgever centraal stond. De bodemrechter had reeds het relatiebeding vernietigd voor acht specifieke cliënten. De kantonrechter had in kort geding dit beding geschorst voor dezelfde cliënten.
De appellant vorderde in hoger beroep afwijzing van de schorsing en stelde dat het hof zich niet aan de afstemmingsregel hoefde te houden. Het hof benadrukte dat de kortgedingrechter zich in beginsel moet richten naar het oordeel van de bodemrechter, tenzij sprake is van een kennelijke misslag, spoedeisendheid of gewijzigde omstandigheden.
Nu appellant geen kennelijke misslag aannemelijk maakte, noch spoedeisendheid of gewijzigde omstandigheden stelde, werd het hoger beroep ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter in kort geding en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep, die werden vastgesteld volgens het liquidatietarief.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de kantonrechter in kort geding wordt bekrachtigd.