ECLI:NL:GHARL:2018:21

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 januari 2018
Publicatiedatum
2 januari 2018
Zaaknummer
WAHV 200.179.783
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArtikel 11 WAHV
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging administratieve sanctie wegens onvoldoende bewijs parkeren langer dan 6 meter buiten vastgestelde tijden

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter Rotterdam inzake een administratieve sanctie opgelegd aan betrokkene voor het parkeren van een voertuig langer dan 6 meter buiten de vastgestelde tijden. De kantonrechter had het beroep van betrokkene ongegrond verklaard, maar het hof vernietigt deze beslissing.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de officier van justitie geen gelegenheid had geboden om de gronden van het beroep aan te vullen, terwijl uit het beroepschrift bleek dat betrokkene dit expliciet had verzocht. Het hof oordeelt dat de officier van justitie deze aanvulling had moeten toestaan en dat het ontbreken hiervan leidt tot vernietiging van de beslissing.

Daarnaast betwistte betrokkene dat het voertuig daadwerkelijk op de pleeglocatie was en wees op onvoldoende bewijs van de verbalisant. Het hof stelt vast dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende specifiek is en niet toereikend om vast te stellen dat de gedraging daadwerkelijk is verricht. Gezien het tijdsverloop en de mogelijkheid voor de advocaat-generaal om aanvullende informatie te verstrekken, ziet het hof af van het verzoek om aanvullend proces-verbaal.

Het gevolg is dat de sanctiebeschikking wordt vernietigd en betrokkene het door hem gestelde zekerheid wordt gerestitueerd. Tevens veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene ter hoogte van € 735,-.

Uitkomst: De administratieve sanctie wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en de advocaat-generaal wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 735,-.

Uitspraak

WAHV 200.179.783
2 januari 2018
CJIB 175871971
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 2 september 2015
betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] , [C] B.V.,
kantoorhoudende te [D] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie niet de mogelijkheid heeft geboden om de inhoudelijke gronden van het administratief beroep in te dienen.
2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep.
3. Het hof stelt vast dat in het beroepschrift tegen de inleidende beschikking wordt gesteld dat de sanctie ten onrechte is opgelegd omdat de betrokkene niet twee keer voor hetzelfde vergrijp kan worden bekeurd. Verder wordt verzocht om de bevestiging van de ontvangst van het beroepschrift en om een nadere termijn voor het indienen van aanvullende inhoudelijke gronden.
4. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. De officier van justitie heeft geen gelegenheid geboden voor aanvulling van de gronden van het beroep.
5. Het hof overweegt dat, indien een beroepschrift één of meer gronden bevat en uit het beroepschrift blijkt van de wens tot aanvulling van gronden, de indiener ervan als uitgangspunt daartoe in gelegenheid moet worden gesteld. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan. Deze uit beginselen van behoorlijke procesvoering voortvloeiende verplichting lijdt uitzondering indien een redelijk belang bij inwilliging ontbreekt (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2016:10365).
6. Naar oordeel van het hof is er sprake van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gedaan verzoek om een nadere termijn te stellen voor het aanvullen van gronden. Derhalve had de officier van justitie de gemachtigde de gelegenheid moeten bieden om de gronden van het beroep aan te vullen, nu niet kan worden gezegd dat een redelijk belang bij inwilliging van dit verzoek ontbreekt. Nu uit het dossier niet blijkt dat aan de gemachtigde de gelegenheid is geboden de gronden van het beroep aan te vullen, moet dit leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie.
7. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de gemachtigde tegen deze beslissingen geen bespreking meer behoeven.
8. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Op/aan de weg een voertuig langer dan 6 m parkeren buiten de vastgestelde termijnen (feitcode R414B)”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 september 2013 om 00:29 uur op de Tweedweg te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
10. De gemachtigde betwist dat het voertuig van de betrokkene op de pleeglocatie is geweest en vermoedt dat er sprake is van een verschrijving. De omschrijving danwel toelichting van de beschikking is niets meer dan de beschrijving uit het feitcodeboekje. De gemachtigde heeft geen foto's van de overtreding ontvangen en uit het zaakoverzicht blijkt dat de verbalisant enkel "Renault" heeft genoteerd. De rest van de gegevens is aangeleverd door de RDW en dus niet een registratie van de waarneming van de verbalisant.
11. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
12. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB het volgende in:
"R414B - voertuig parkeren dat langer dan 6 meter is buiten de vastgestelde tijden."
13. De verklaring van de verbalisant is nagenoeg gelijk aan de algemene omschrijving van de gedraging zoals die is opgenomen in de ''Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen''. Naar het oordeel van het hof bevat de verklaring onvoldoende redenen van wetenschap van de verbalisant ten aanzien van de gedraging in onderhavig geval, om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht. Het hof ziet, in aanmerking genomen het tijdsverloop na de pleegdatum en het feit dat de advocaat-generaal in de gelegenheid is geweest om bij verweerschrift aanvullende informatie in te brengen, ervan af om thans nog de advocaat-generaal te verzoeken om een aanvullend proces-verbaal in het geding te brengen.
14. Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen.
15. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een administratief beroepschrift, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 735,- (=3 x € 490,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 175871971 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 735,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.