Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding dat nooit is uitgevoerd. Na het indienen van het echtscheidingsverzoek in 2013 en ontbinding van het huwelijk in 2015, ontstond een geschil over de vaststelling van de verrekenvordering en waardering van diverse vermogensbestanddelen.
De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van €192.880,33 aan de vrouw en bepaalde aanvullende verplichtingen. De man ging in hoger beroep met meerdere grieven, waaronder de peildatum van de verrekening, waardering van bankrekeningen, aandelen in zijn B.V., en pensioenverevening.
Het hof oordeelde dat de peildatum voor verrekening 1 oktober 2010 is, niet 1 juli 2012 zoals de man stelde. De waarde van de aandelen in de B.V. werd vastgesteld op nihil, terwijl de vordering in rekening courant op de B.V. op €481.706,- werd gesteld. De bankrekening bij Rabobank werd verhoogd tot €225.000,-. De vrouw’s aandeel in een commanditaire vennootschap werd gewaardeerd op €22.946,50. Verder werd de man veroordeeld tot het jaarlijks verstrekken van de geconsolideerde jaarrekening van zijn B.V. aan de vrouw.
De man werd veroordeeld tot betaling van €379.690,59 aan de vrouw na verrekening van regresvorderingen en gebruiksvergoeding. Het hof verklaarde het hoger beroep van de man tegen de beschikking van 2 september 2015 niet-ontvankelijk en compenseerde de proceskosten. Het verzoek van de vrouw tot wettelijke rente werd afgewezen wegens te late indiening.