Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Den Haag(hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende was in 2012 werkzaam als gastouder en verzorgde opvang voor tien kinderen van acht ouders. De Inspecteur stelde dat de inkomsten moesten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl belanghebbende stelde dat sprake was van winst uit onderneming. Het Hof oordeelde dat belanghebbende meerdere opdrachtgevers had, streefde naar continuïteit en ondernemersrisico liep, waaronder debiteurenrisico. De relatie met het gastouderbureau was slechts een bemiddelingsrelatie zonder arbeidsverhouding of sturing die zelfstandigheid zou beperken.
Het Hof stelde vast dat de gastouder zelf verantwoordelijk was voor de kwaliteit van de opvang en dat het gastouderbureau slechts een ondersteunende en bemiddelende rol had, zonder toezicht of controle die zelfstandigheid zou aantasten. De wettelijke regelgeving en het toezicht op naleving lagen bij de gemeente en GGD, niet bij het gastouderbureau. Hierdoor was er voldoende zelfstandigheid en ondernemerschap aanwezig.
Het hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de inkomsten uit kinderopvang worden aangemerkt als winst uit onderneming.