Partijen zijn in 2008 gehuwd en hebben een minderjarige samen. Sinds 2016 leven zij gescheiden en is er een co-ouderschapsregeling waarbij het kind afwisselend een week bij elke ouder verblijft. De rechtbank stelde in 2017 het hoofdverblijf van het kind bij de vader vast, mede vanwege praktische regelingen.
De moeder ging in hoger beroep en verzocht het hof het hoofdverblijf bij haar vast te stellen. Het geschil spitste zich toe op de inschrijving van de minderjarige in de Basisregistratie Personen (BRP), omdat dit invloed heeft op wie zaken rondom het kind regelt. Beide ouders zijn betrokken en dragen gelijkwaardig bij aan de verzorging.
Het hof oordeelt dat het vaststellen van één hoofdverblijf niet passend is bij een gelijkwaardig co-ouderschap en dat dit conflicten kan veroorzaken. Wel beslist het hof dat de inschrijving in de BRP op het adres van de vader blijft, omdat het kind daar reeds staat ingeschreven en de praktische zaken goed geregeld zijn.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het hoofdverblijf bij de vader is vastgesteld. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.