Conclusie
De vader klaagt in cassatie over de afwijzing van zijn verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats in het licht van deze zorgregeling. Ook klaagt de vader dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek over de inschrijving van de minderjarige op zijn adres in de BRP.
2.Feiten en procesverloop
- de inschrijving van de minderjarige op een middelbare school in [plaats 2] ;
- het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige naar het adres van de vader, waarbij de vader tevens is gerechtigd om de minderjarige in te schrijven op zijn BRP-adres, althans hem daarvoor vervangende toestemming te verlenen; en
- het wijzigen van de zorgregeling tussen de minderjarige en de moeder conform het verzoek van de vader, onder wijziging van eerdere beschikkingen, in het bijzonder de beschikkingen van de rechtbank van 23 maart 2017 en van het hof van 28 maart 2018 en het kortgedingvonnis van 22 april 2022.
- de moeder vervangende toestemming verleend voor de
voorlopigeinschrijving van de minderjarige op een viertal scholen in Den Haag;
- de vader vervangende toestemming verleend ten behoeve van de
voorlopigeinschrijving van de minderjarige op [naam van de school] in [plaats 2] ;
- [belanghebbende] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige; [1] en
- de behandeling van de verzoeken die zien op de schoolkeuze, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aangehouden tot 1 mei 2023.
- de vader vervangende toestemming verleend voor de definitieve inschrijving van de minderjarige op [naam van de school] in [plaats 2] ;
- een zorgregeling vastgesteld op grond waarvan, kort weergegeven, de zorg voor de minderjarige min of meer gelijk tussen de ouders is verdeeld (co-ouderschap);
- het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen en bij hem te bepalen afgewezen, daarover heeft de rechtbank in de beschikking overwogen:
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, waarbij de vader tevens gerechtigd is om de minderjarige te laten inschrijven in de BRP van zijn woonplaats, althans hem daarvoor vervangende toestemming te verlenen; en
- ten aanzien van de zorgregeling te bepalen dat de minderjarige in de ene week een weekend per veertien dagen en in de andere week van maandag uit school tot dinsdag naar school bij de vrouw verblijft.
- de beschikking van de rechtbank van 29 juni 2023 vernietigd voor wat betreft de zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende bepaald dat de minderjarige in de ene week van maandag uit school tot dinsdag naar school bij de moeder verblijft en in de andere week van zaterdag na de hockey – en als er geen hockey is om 10.00 uur – tot zondag 20.00 uur; en
- het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, afgewezen, daarover heeft het hof overwogen:
Hoofdverblijfplaats [minderjarige]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1wordt geklaagd dat de afwijzing door het hof van het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van artikel 1:12 lid 1 BW Pro en/of het begrip hoofdverblijfplaats en van de bepalingen in de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet BRP). Het hof heeft dit wettelijk kader miskend, nu de door het hof bepaalde zorgregeling, op grond waarvan de minderjarige gedurende één nacht per week bij de moeder en de rest van de tijd bij de vader verblijft, dwingt tot de conclusie dat de minderjarige haar woonplaats in de zin van artikel 1:12 BW Pro bij de vader heeft, zodat de hoofdverblijfplaats bij de vader had moeten worden bepaald, aldus het onderdeel. Het hof heeft een onjuiste maatstaf aangelegd door te overwegen dat de vader de noodzaak van een wijziging van de hoofdverblijfplaats onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover de bestreden beschikking zo moet worden gelezen dat het hof het begrip ‘hoofdverblijfplaats’ los ziet van het begrip ‘woonplaats’ als bedoeld in artikel 1:12 BW Pro, en dat het een meer een subjectief karakter heeft, getuigt dit oordeel ook van een onjuiste rechtsopvatting. Het begrip hoofdverblijfplaats zegt immers iets over de plaats/ouder waar het kind feitelijk het meest verblijft en ziet niet op de relatie tussen ouder en kind. Dit laatste kan dan ook geen argument opleveren om een hoofdverblijfplaats vast te stellen die strijdig is met de woonplaats en erin resulteert dat geen uitvoering kan worden gegeven aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.39 in verbinding met artikel 2.49 en artikel 1.1 onder o Wet BRP, aldus nog steeds het onderdeel. [6]
onderdeel 2wordt geklaagd dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van de vader om de minderjarige te laten inschrijven in de BRP van zijn woonplaats of aan hem daarvoor vervangende toestemming te verlenen, althans dat het hof ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en het verzoek tot inschrijving in de BRP. Ook dit getuigt volgens het middelonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de door het hof bepaalde zorgregeling op grond waarvan de minderjarige de meeste nachten bij de vader overnacht, dient zij volgens de Wet BRP bij hem te worden ingeschreven, aldus het middelonderdeel. [7]
onderdeel 3wordt tot slot geklaagd dat de motivering van het hof van de afwijzing van het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de inschrijving van de minderjarige in de BRP getuigt van een onjuist begrip van de wettelijke regelingen, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Daarbij wordt onder A geklaagd dat het hof, kort gezegd, ten onrechte heeft overwogen dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bijvoorbeeld invloed heeft op de kinderbijslag die de moeder ontvangt. [8] Bovendien maakt juist de vader conform de huidige zorgregeling aanspraak op dergelijke financiële regelingen. Nu ontstaat een oneigenlijke situatie die geen recht doet aan het belang van de minderjarige, aldus het onderdeel.
Onder B wordt geklaagd dat ook de overweging van het hof dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats aanleiding zou kunnen vormen voor (nieuwe) procedures over bijvoorbeeld de kinderalimentatie van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. De door het hof bepaalde zorgregeling levert op dit moment reeds een grond voor wijziging van de kinderalimentatie ingevolge artikel 1:401 BW Pro op, ongeacht of de hoofdverblijfplaats wel of niet in stand blijft. Daarbij is het de vraag of de kinderalimentatie in het licht van de huidige zorgregeling nog wel voldoet aan de wettelijke maatstaven. Voor zover het hof beoogt minder procedures of strijd tussen ouders te realiseren, is het feitelijke effect het tegenovergestelde, waardoor het oordeel van het hof volgens het onderdeel ook onbegrijpelijk is.
Tot slot levert de overweging dat het hof ervan uitgaat dat de huidige verdeling van de zorg een tijdelijke situatie is geen begrijpelijke grond op om de hoofdverblijfplaats niet te wijzigen, nu deze opnieuw kan worden gewijzigd indien de situatie wederom zou veranderen. Het belang dat de woonplaats/hoofdverblijfplaats in overeenstemming is met de juridische en feitelijke situatie dient te prevaleren, aldus dit onderdeel onder C. [9]
niethet zwaartepunt van de zorg ligt: [19]
onderdeel 1wordt, in het kort, geklaagd dat de afwijzing door het hof van het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:12 lid 1 BW Pro en/of het begrip hoofdverblijfplaats en van de bepalingen in de Wet BRP.
onderdeel 3wordt, in het kort, geklaagd dat de motivering van het hof van de afwijzing van het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de inschrijving van de minderjarige in de BRP getuigt van een onjuist begrip van de wettelijke regelingen, althans dat deze motivering zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is.
onderdeel 2wordt geklaagd dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van de vader om de minderjarige te laten inschrijven in de BRP van zijn woonplaats of aan hem daarvoor vervangende toestemming te verlenen, althans dat het hof ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en het verzoek tot inschrijving in de BRP. Ook dit getuigt volgens het middelonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de door het hof bepaalde zorgregeling op grond waarvan de minderjarige de meeste nachten bij de vader overnacht, dient zij volgens de Wet BRP bij hem te worden ingeschreven, aldus het onderdeel.