In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen appellanten en de gemeente over de ontruiming van een boerderij en omliggende gronden die appellanten in gebruik hebben voor hun melkveehouderijbedrijf. De rechtbank had bepaald dat appellanten uiterlijk 1 april 2018 de boerderij moesten verlaten. Appellanten vorderden schorsing van de uitvoerbaarheid van dit vonnis in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat het vonnis van de rechtbank niet berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag. De omstandigheden dat appellanten geen alternatieve locatie konden vinden en het belang bij mestregelgeving en betalingsrechten wegen niet zwaar genoeg voor een langdurige schorsing. De belangen van de gemeente bij ontruiming zijn niet zo urgent dat vastgehouden moet worden aan de oorspronkelijke datum.
Daarom schorst het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis tot 1 juni 2018. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling. De beslissing omtrent de kosten van het incident wordt gereserveerd tot de einduitspraak.