Belanghebbende, een chemicus met een eenmanszaak, verrichtte managementdiensten voor een vennootschap op basis van een managementovereenkomst. De Inspecteur kwalificeerde de ontvangen bedragen als loon uit dienstbetrekking, terwijl belanghebbende deze als winst uit onderneming aangaf en ondernemersfaciliteiten toepaste.
De rechtbank vernietigde de opgelegde boetes maar oordeelde dat de inkomsten loon uit dienstbetrekking waren. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het hof bevestigde de rechtbankuitspraak en oordeelde dat, ondanks het ontbreken van een gezagsverhouding, sprake was van een fictieve dienstbetrekking conform het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.
Daarnaast verwierp het hof het betoog dat de inkomsten geabsorbeerd zouden worden door de onderneming van belanghebbende, gezien de omvang en duur van de werkzaamheden voor de vennootschap. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.