Belanghebbende, een vennootschap binnen een fiscale eenheid, had voor het jaar 2012 een afwaarderingsverlies van €118.558 ten laste van de winst gebracht wegens vermeende waardevermindering van een vordering op een failliete dochtermaatschappij. De Inspecteur weigerde deze aftrek omdat niet was aangetoond dat de waarde van de vordering lager was dan de nominale waarde.
In hoger beroep bevestigde het Hof dat de faillissementen van de schuldenaren waren opgeheven wegens gebrek aan baten en dat de vordering zich verplaatste naar een privé-persoon die hoofdelijk aansprakelijk was. Het Hof stelde dat belanghebbende de waardevermindering van de vordering niet aannemelijk had gemaakt, omdat zij geen bewijs had geleverd van een lagere waarde van de zekerheden of van de financiële positie van de debiteur.
Het Hof overwoog dat de waardering van vorderingen volgens goed koopmansgebruik moet plaatsvinden en dat de bewijslast bij belanghebbende lag om de lagere waarde aannemelijk te maken. Aangezien zij daarin niet slaagde, was de afwaardering niet gerechtvaardigd. Ook de berekende belastingrente werd bevestigd omdat daartegen geen zelfstandige grieven waren aangevoerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.