Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie die de man aan zijn meerderjarige dochter betaalt. De rechtbank had de alimentatie per 1 april 2017 verlaagd, maar de man stelde dat de alimentatie vanaf het begin niet aan de wettelijke maatstaven voldeed en verzocht om terugwerkende kracht tot 2007. Het hof oordeelde dat terugwerkende kracht niet toekomt vanwege het ontbreken van tijdig verzoek en het risico voor de onderhoudsgerechtigde.
De financiële situatie van partijen en de behoefte van de dochter zijn sindsdien gewijzigd. Het hof stelde de behoefte van de dochter vast op €320 per maand per 1 april 2017, waarbij de man en vrouw naar draagkracht bijdragen. Het netto besteedbaar inkomen van de man werd vastgesteld op €2.384 per maand, en dat van de vrouw op €2.016 per maand, met een draagkracht van respectievelijk €534 en €354 per maand.
Vanaf 27 juli 2017 is de dochter meerderjarig, maar zij had nog behoefte aan een bijdrage tot 1 oktober 2017. Vanaf die datum woont zij bij haar grootouders en drijft zij samen met haar moeder een onderneming. De behoefte werd toen vastgesteld op €542 per maand, verminderd met haar eigen inkomsten uit de VOF, resulterend in een resterende behoefte van €230 per maand. De man draagt vanaf 1 oktober 2017 €176 en de vrouw €54 bij.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en wijzigde de alimentatie met ingang van 1 april 2017, stelde de bijdragen vast zoals hierboven beschreven, verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en compenseerde de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijzigt de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2017 en stelt de bijdrage van de man vast op €192 per maand tot 1 oktober 2017 en €176 per maand daarna.