ECLI:NL:GHARL:2018:5441
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Grensvaststelling en onrechtmatige afbraak van erfafscheidingen tussen buren
In deze civiele zaak staat de vaststelling van de erfgrens tussen twee percelen centraal, alsmede het onrechtmatig handelen door het afbreken van erfafscheidingen. De rechtbank had in 2015 de erfgrens vastgesteld op basis van een kadastrale kaart van 2011. Geïntimeerde stelde dat de grens in 2013 anders liep en dat appellant toen onrechtmatig de gemeenschappelijke muur had afgebroken.
Het hof oordeelt dat op grond van een praktijkgerichte uitleg van artikel 5:47 BW Pro de grens bij gelijkblijvende uiterlijke omstandigheden ook voor het verleden langs de vastgestelde lijn moet worden geacht te lopen. Hierdoor is discussie over de grens in het verleden en de vraag of appellant zich schuldig maakte aan eigenrichting door de afbraak van de muur uitgesloten. De vordering tot herstel van de stenen muur faalt daarmee.
Wel acht het hof bewezen dat appellant onrechtmatig handelde door zonder toestemming de houten schutting te verwijderen en af te voeren, waardoor geïntimeerde schade leed. De schadevergoeding die de kantonrechter had toegekend wordt bevestigd. De vermeerderde eis voor kosten van een tijdelijke schutting wordt afgewezen omdat deze voortkomt uit de niet-erkende vordering tot herstel van de stenen muur.
De kosten van het geding worden tussen partijen gecompenseerd omdat zij beiden gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het de vordering tot herstel van de stenen muur en de kosten betreft, en bekrachtigt het vonnis voor de schadevergoeding wegens het verwijderen van de houten schutting.
Uitkomst: De vordering tot herstel van de stenen muur wordt afgewezen, maar appellant wordt veroordeeld tot schadevergoeding voor het onrechtmatig verwijderen van de houten schutting.