Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, eigenaar van een bedrijfsgebouw met showroom en opslag, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €349.000 vastgesteld door de heffingsambtenaar voor het jaar 2016. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De heffingsambtenaar baseerde de waarde op de huurwaardekapitalisatiemethode met een kapitalisatiefactor van 10,7, onderbouwd met drie vergelijkbare transacties. Het Hof oordeelde dat de onderbouwing van het samengesteld huurcijfer van €35 per m² ontbrak en dat de transactiedata ruim anderhalf jaar na de waardepeildatum lagen, waardoor de gehanteerde kapitalisatiefactor onvoldoende aannemelijk was.
Belanghebbende stelde een lagere kapitalisatiefactor van 8,9 vast via de bottom-up-methode, welke door de heffingsambtenaar niet gemotiveerd werd betwist. De waarde van de extra grond en buitenopslag werd door belanghebbende via de vergelijkingsmethode bepaald, maar onvoldoende onderbouwd. Het Hof stelde daarom de waarde in goede justitie vast op €275.000.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van in totaal €2.509 aan belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde van het bedrijfsgebouw wordt verminderd tot €275.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig aangepast.