In deze zaak vordert appellante toewijzing van haar loonvorderingen en stelt dat geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging door geïntimeerde. Appellante was sinds januari 2017 in dienst als textielmedewerker en werd in oktober 2017 geïnformeerd over het niet kunnen voortzetten van haar dienstverband na eind oktober.
Appellante verliet op 25 oktober 2017 het werk wegens klachten, maar meldde zich niet ziek. Geïntimeerde bood haar een brief aan waarin werd bevestigd dat zij per direct haar dienstverband beëindigde, hetgeen appellante niet accepteerde. Zij ontving loonbetalingen tot eind oktober en probeerde een WW-uitkering te verkrijgen, die werd afgewezen omdat de opzegging niet rechtsgeldig was.
Het hof oordeelt dat de mededeling van geïntimeerde op 3 oktober 2017 moet worden gezien als opzegging van de arbeidsovereenkomst, wat appellante ook zo begreep. Appellante had daarom vóór 1 januari 2018 vernietiging van de opzegging moeten verzoeken, maar deed dit niet tijdig. De vervaltermijn is daardoor verstreken en de arbeidsovereenkomst is definitief geëindigd.
Het hof acht het niet aannemelijk dat geïntimeerde appellante opzettelijk heeft misleid en wijst het bewijsaanbod van appellante af. De grieven slagen niet en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd. Appellante wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.