Uitspraak
[appellant],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde1],
De Nieuwe Zweep,
[geïntimeerden] c.s.,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant en geïntimeerde1 hadden gezamenlijk een vennootschap onder firma (VOF) opgericht voor exploitatie van een horecagelegenheid. In 2016 besloten zij de samenwerking te beëindigen waarbij appellant uit de VOF trad en geïntimeerde1 de activiteiten voortzette via een besloten vennootschap, De Nieuwe Zweep. Partijen sloten een beëindigingsovereenkomst waarin afspraken werden gemaakt over de verdeling van schulden en vrijwaring van verplichtingen.
Appellant vorderde in eerste aanleg onder meer betaling van een bedrag en controle over betalingen ten behoeve van De Nieuwe Zweep, alsmede een verbod op uitvoering van een overeenkomst met Lassche. Deze vorderingen werden afgewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten. Appellant ging in hoger beroep tegen de kostenveroordeling.
Het hof stelde vast dat de procedure tegen de gefailleerde De Nieuwe Zweep geschorst is en dat het spoedeisend belang voor de primaire vorderingen was vervallen. Het hoger beroep richtte zich uitsluitend op de proceskostenveroordeling. Het hof oordeelde dat de voorzieningenrechter de beëindigingsovereenkomst juist had uitgelegd en dat appellant geen recht had op opbrengsten van De Nieuwe Zweep. De grieven faalden, waarna het hof het vonnis bekrachtigde en appellant veroordeelde in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van 2 maart 2017 en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.