Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2018:7117

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 augustus 2018
Publicatiedatum
7 augustus 2018
Zaaknummer
200.191.477
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5.17 BouwverordeningArt. 6:48 Bouwbesluit 2012Art. 6:49 Bouwbesluit 2012Art. 5:48 BWArt. 5:49 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid schuttingplaatsing op erfgrens ondanks beperkte doorgang

In deze civiele procedure staat de plaatsing van een schutting op de erfgrens tussen partijen centraal. Eerder was [appellant] en [appellante] veroordeeld mee te werken aan de schuttingplaatsing en de helft van de kosten te betalen. Zij vorderden in eerste aanleg vervanging van de schutting en terugbetaling van een deel van de kosten, maar deze vorderingen werden afgewezen.

In hoger beroep betogen zij dat de schutting illegaal is geplaatst omdat deze in strijd zou zijn met de Bouwverordening en het Bouwbesluit 2012, en dat de schutting onrechtmatig is vanwege de versmalling van de doorgang die hinder en gevaar zou veroorzaken. Het hof oordeelt dat geen vergunning nodig was, de doorgang weliswaar krap is maar toegankelijk blijft, en dat de woning geen toegankelijkheidssector vormt zoals bedoeld in het Bouwbesluit.

Verder is de schutting niet onrechtmatig omdat de buurperceeleigenaar gerechtigd is haar perceel af te sluiten en er geen sprake is van onevenredige hinder of misbruik van recht. De grieven van appellanten falen en de vonnissen van de kantonrechter worden bekrachtigd, waarbij appellanten in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de eerdere vonnissen en wijst de vorderingen van appellanten af, met veroordeling in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.191.477
(zaaknummer rechtbank Overijssel 4416831)
arrest van 7 augustus 2018
in de zaak van
[appellant]en
[appellante],
beiden wonende te [plaatsnaam] ,
appellanten,
in eerste aanleg: eisers,
hierna gezamenlijk: [appellant] en [appellante] ,
advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [plaatsnaam] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. A.T. Brouwer.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 juli 2016 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
  • het proces-verbaal van descente en comparitie van partijen van 24 november 2016,
  • de memorie van grieven (met productie),
  • de memorie van antwoord (met producties),
  • een akte van [appellant] en [appellante] .
1.3
Vervolgens heeft het hof op verzoek van partijen bepaald dat arrest zal worden gewezen op het door [appellant] en [appellante] overgelegde procesdossier.

2.De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het tussenvonnis van 24 november 2015. Samengevat houdt dit in:
- dat [appellant] en [appellante] bij vonnis van 24 april 2012 zijn veroordeeld om mee te werken aan de plaatsing van een schutting op de erfscheiding tussen de buurpercelen van partijen, welke schutting voldoet aan de plaatselijke verordening van de gemeente [plaatsnaam] , en om aan [geïntimeerde] de helft van € 1.606,50 te betalen als hun aandeel in de kosten van plaatsing,
- dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen
en
- dat [geïntimeerde] ter uitvoering van de daarbij uitgesproken veroordelingen een schutting heeft geplaatst en een bedrag van € 803,25 van [appellant] en [appellante] heeft geïncasseerd.

3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1
[appellant] en [appellante] hebben in eerste aanleg vervanging gevorderd van de schutting en terugbetaling van het bedrag van € 803,25.
3.2
De kantonrechter heeft bij haar tussenvonnis van 24 november 2015 [geïntimeerde] in staat gesteld om te bewijzen dat zij aan het plaatsen van de schutting € 1.606,50 heeft uitgegeven en bij het eindvonnis van 16 februari 2016 [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] en [appellante] € 253,25 terug te betalen, te vermeerderen met rente, met afwijzing van de vorderingen tot vervanging van de schutting en compensatie van de proceskosten.

4.De beoordeling in hoger beroep

4.1
[appellant] en [appellante] vorderen in hoger beroep vernietiging van het tussenvonnis en van het eindvonnis, met alsnog toewijzing van hun vorderingen in eerste aanleg en veroordeling van [geïntimeerde] in, zoals het hof begrijpt, de proceskosten in de beide instanties. Zij hebben daarvoor vijf genummerde grieven aangevoerd.
4.2
Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] geen beroep heeft gedaan op het gezag van gewijsde van het vonnis van 24 april 2014. Dit betekent dat het hof de rechtsbetrekking die in die eerdere procedure in geschil was, inhoudelijk kan beoordelen.
4.3
Met de grieven 1 en 2 beroepen [appellant] en [appellante] zich erop dat de plaatsing van de schutting tot een illegale situatie heeft geleid. Volgens grief 1 handelde [geïntimeerde] bij plaatsing van de schutting in strijd met artikel 2.5.17 lid 1 van de Bouwverordening van de gemeente [plaatsnaam] (hierna: de Bouwverordening) en volgens grief 2 handelde zij in strijd met het Bouwbesluit 2012. Volgens artikel 2.5.17 van de Bouwverordening zou er tussen het woonhuis van [appellant] en [appellante] en de schutting minstens 1 meter ruimte moeten zijn, terwijl de resterende ruimte nu nog maar 81 centimeter is, aldus [appellant] en [appellante] .
4.4
Artikel 2.5.17 van de Bouwverordening houdt in:
De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen, dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;b. niet toegankelijk zijn.
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende ruimte aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
4.5
[appellant] en [appellante] hebben niet tegengesproken dat voor het plaatsen van de schutting geen omgevingsvergunning nodig was. Zij klagen er evenmin over dat de versmalling van de doorgang naar de ‘tussenruimte’ tot gevolg heeft gehad dat deze niet meer toegankelijk is, laat staan dat de ruimte niet meer kan worden gereinigd en/of onderhouden. Van strijdigheid met de Bouwverordening is niet gebleken. Grief 1 faalt.
4.6
Grief 2 houdt een beroep in op de artikelen 6:48 en 6:49 Bouwbesluit 2012. Deze artikelen maken deel uit van afdeling 6.10 van het Bouwbesluit, welke afdeling als titel draagt:
Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten, nieuwbouw en bestaande bouw.De artikelen 6.48 en 6.49 Bouwbesluit 2012 bevatten voorschriften met betrekking tot een
toegankelijkheidssector, waaronder blijkens artikel 1.1 van het Bouwbesluit wordt verstaan:
[een]
voor personen met een fysieke functiebeperking zelfstandig bruikbaar en toegankelijk gedeelte van een gebouw;
4.7
[appellant] en [appellante] hebben de definitie van het begrip
toegankelijkheidssectorwel opgenomen in hun memorie van grieven, maar zij hebben niet gesteld dat hun woning een gebouw is dat geheel of gedeeltelijk zelfstandig bruikbaar en toegankelijk is voor personen met een fysieke beperking, zoals dat is bedoeld in het Bouwbesluit 2012. Op de tegenwerping van [geïntimeerde] dat de inrichting van hun woning niet is aangepast aan gebruik door minder validen, hebben [appellant] en [appellante] erkend dat in hun woning geen bouwkundige voorzieningen zijn getroffen voor rolstoelgebruikers. Daarom gaat het hof ervan uit dat in hun woning geen toegankelijkheidssector is gecreëerd. Het enkele feit dat zij wel bezoek krijgen van personen die op het gebruik van een rolstoel en/of scootmobiel zijn aangewezen, brengt niet mee dat de artikelen 6:48 en 6:49 Bouwbesluit 2012 van toepassing zijn op de woning van [appellant] en [appellante] , daargelaten of uit hoofde van die wetsartikelen van [geïntimeerde] kan worden verlangd dat zij voor de toegankelijkheid van de woning van [appellant] en [appellante] zorgt. Ook grief 2 faalt.
4.8
Met de grieven 3 en 4 stellen [appellant] en [appellante] dat het plaatsen van de schutting anderszins onrechtmatig jegens hen is. Zij klagen erover dat de schutting geen enkel doel dient (achter de schutting is geen toegangsdeur tot het pand van [geïntimeerde] ), dat de versmalling van de doorgang hen hindert (mede doordat een aanhangwagen, die achter hun huis staat, niet meer naar de weg kan en een bankstel niet naar binnen kon worden gedragen) en gevaarlijk is (te smal voor een horizontaal gehouden brancard en bij calamiteiten te moeilijk als ontsnappingsroute voor rolstoelgebruikers - andere uitgangen dan de voordeur zijn afgesloten om inbraak te voorkomen).
4.9
Voorop staat dat [geïntimeerde] op grond van de artikelen 5:48 en 5:49 BW haar perceel met (bijvoorbeeld) een schutting mag afsluiten. Ter comparitie in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] toegelicht dat zij haar huurders in staat wil stellen om hun fietsen achter de schutting te stallen, zodat voor toewijzing van de vorderingen van [appellant] en [appellante] had moeten blijken van onevenredig veel hinder (doordat zij noch hun bezoekers nog over het perceel van [geïntimeerde] kunnen gaan). Van dergelijk misbruik van dit recht is echter niet gebleken nu [geïntimeerde] als eigenaresse van het buurperceel belang heeft bij handhaving van de schutting. De beperking van de doorgangen is niet in strijd met overheidsvoorschriften en uit de stellingen van [appellant] en [appellante] blijkt evenmin dat [geïntimeerde] in strijd handelt met wat in het maatschappelijk verkeer van haar kan worden verlangd. De krappe doorgang naar de voordeur van het pand van [appellant] en [appellante] maakt het voor personen met een fysieke beperking of personen in nood weliswaar moeilijk, maar niet onmogelijk om in die woning te komen, en om zo nodig daaruit te ontsnappen of door hulpverleners naar buiten te worden gedragen. De grieven 3 en 4 zijn ongegrond.
4.1
Met grief 5 willen [appellant] en [appellante] bereiken dat de kosten van de procedure in eerste aanleg niet worden gecompenseerd, maar dat [geïntimeerde] in die kosten wordt veroordeeld. De andere beslissingen in het eindvonnis blijven echter in stand, zodat nog steeds geldt dat in eerste aanleg beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld. Voor een andere verdeling van de kosten van de eerste aanleg ziet het hof daarom geen reden.

5.De slotsom

De grieven falen, zodat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd. Als de in hoger beroep in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] en [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op het griffierecht van € 314 en op een vergoeding van € 2.148 voor advocaatkosten volgens het liquidatietarief (2 punten x tarief II).

6.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter te Enschede van 24 november 2015 en van 16 februari 2016;
veroordeelt [appellant] en [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 314 voor verschotten en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, H.E. de Boer en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2018.