De terbeschikkinggestelde was in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot verlenging van zijn terbeschikkingstelling met twee jaar. Het hof heeft het dossier pas ruim zes maanden na het instellen van het beroep ontvangen, waardoor de redelijke termijn voor behandeling is overschreden. Dit betreurt het hof, maar verbindt hieraan geen gevolgen.
De terbeschikkinggestelde volgt geen therapieën meer, heeft een vaste relatie, werk en zijn alcoholgebruik is onder controle. Hij maakt gebruik van onbegeleid verlof en wil dat de verpleging van overheidswege voorwaardelijk wordt beëindigd vanwege de lange duur van het resocialisatietraject, dat vertraagd is door een wachtlijst voor overplaatsing naar een transmurale voorziening.
De advocaat-generaal acht het echter nog te vroeg voor een voorwaardelijke beëindiging en adviseert bevestiging van de verlenging. Het hof oordeelt dat de noodzakelijke stoornis aanwezig is en dat het verzoek tot onderzoek naar voorwaardelijke beëindiging prematuur is. De verlenging met twee jaar wordt bevestigd met verbetering van de gronden, waarbij het belang van een gefaseerde resocialisatie wordt benadrukt.