In deze civiele zaak stond centraal of een vaststellingsovereenkomst met een finaal kwijtingsbeding de werkgever beschermt tegen schadeclaims wegens fraude door de werknemer die na het sluiten van de overeenkomst werd ontdekt. De werknemer, voormalig hoofd financiële administratie, had jarenlang contant geld verduisterd en dit pas na beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan het licht gekomen.
De werkgever had de arbeidsovereenkomst beëindigd met een vaststellingsovereenkomst waarin finale kwijting was opgenomen. De werknemer stelde dat de overeenkomst niet kon worden aangetast, maar de werkgever voerde een beroep op dwaling in verband met het verzwijgen van de fraude. Het hof oordeelde dat de fraude niet was meegenomen in de vaststellingsovereenkomst en dat het finale kwijtingsbeding niet ziet op schade door strafbare feiten die niet bekend waren bij het sluiten.
Het hof bevestigde dat de vaststellingsovereenkomst als zodanig niet uitsluit dat deze wegens dwaling kan worden vernietigd als de wederpartij onjuiste informatie heeft gegeven of relevante informatie heeft achtergehouden. De werknemer had de fraude bewust verzwegen. De werkgever had geen kennis van de fraude en zou bij bekendheid niet tot betaling van een beëindigingsvergoeding zijn overgegaan.
Het hof stelde het fraudebedrag vast op €201.361,- aan contante verduisteringen en veroordeelde de werknemer tot betaling van in totaal €258.944,07 inclusief beëindigingsvergoeding, onderzoekskosten en beslagkosten. Het hof verwierp het beroep op eigen schuld van de werkgever en bevestigde dat de werknemer de schade volledig moet dragen. De overige vonnissen werden bekrachtigd en de proceskosten werden gecompenseerd.