In deze civiele zaak stond centraal de vraag of tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand was gekomen voor het uitvoeren van loonwerkzaamheden op het perceel van geïntimeerde. Appellant voerde aan dat er een mondelinge overeenkomst bestond, gebaseerd op jarenlange samenwerking en telefonische prijsafspraken voorafgaand aan de werkzaamheden.
Geïntimeerde betwistte het bestaan van een dergelijke overeenkomst en stelde dat appellant zonder haar toestemming werkzaamheden had verricht, waardoor zij haar vrijheid werd ontnomen om zelf te bepalen welk gewas te verbouwen en met wie zaken te doen. Tevens stelde zij dat appellant zonder opdracht gras had geoogst en overbemesting had veroorzaakt.
De kantonrechter wees de vordering van appellant af wegens onvoldoende bewijs. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat appellant onvoldoende feitelijk had onderbouwd dat er een overeenkomst was gesloten. Ook de subsidiaire vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking werd afgewezen omdat appellant niet had toegelicht dat geïntimeerde voordeel had genoten van zijn werk.
Het hof veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep en wees het meer of anders gevorderde af. Het arrest werd uitgesproken op 14 augustus 2018 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.