De man, biologische vader van het kind, verzocht om vervangende toestemming tot erkenning van het kind, omdat de moeder deze toestemming weigerde. De rechtbank had dit verzoek reeds afgewezen en de man ging in hoger beroep.
De moeder oefent het gezag uit over het kind en woont met het kind in Nederland, terwijl de man de Sudanese nationaliteit heeft en in detentie zit wegens ernstige geweldsdelicten tegen de moeder en het toen nog ongeboren kind. De man heeft een contactverbod en is ongewenst verklaard in Nederland.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het verzoek te beslissen en dat Nederlands recht van toepassing is. Bij de belangenafweging staat centraal dat erkenning niet mag leiden tot schade aan de belangen van de moeder of het kind, zoals belemmering van een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Gezien de ernstige strafrechtelijke veroordeling van de man wegens poging tot doodslag en bedreiging, de reële angst van de moeder en de negatieve gevolgen voor het stabiele opvoedingsklimaat, concludeert het hof dat de belangen van de moeder en het kind zwaarder wegen dan het belang van de man bij erkenning.
Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning af, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.