Belanghebbende exploiteert een stortplaats waar brandbare afvalstoffen zijn opgeslagen in een speciaal depot met het voornemen deze later af te graven en te verbranden. Na afschaffing van de afvalstoffenbelasting per 1 januari 2012, vordert belanghebbende een extra teruggaaf op grond van een overgangsregeling.
De rechtbank had de teruggaaf toegekend, maar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof beoordeelde of de afvalstoffen bij binnenkomst en daarna bestemd waren om de inrichting te verlaten voor verbranding, zoals vereist door de overgangsregeling.
Het hof achtte aannemelijk dat vanaf het moment van opslag in 2007-2008 een concreet voornemen bestond om de brandbare afvalstoffen af te graven en te verbranden. Dit blijkt uit het aangelegde depot, proefprojecten, administratie als terugneembaar gestort afval, en communicatie met de Inspecteur. De Inspecteur’s tegenargumenten werden verworpen.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover de teruggaaf lager was vastgesteld en vermeerderde de teruggaafbeschikking tot €7.810.535. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd vastgesteld.