Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[verzoekster] ,
verzoekers,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van ouders tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van hun ongeboren kind verleende. De kinderrechter had vastgesteld dat de ouders onvoldoende basisvaardigheden bezitten voor het opvoeden van een kind, gebaseerd op een NIFP-onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden ten aanzien van hun reeds geboren zoon.
De ouders verzochten om schorsing van de uitvoerbaarheid van deze beschikking, stellende dat de uithuisplaatsing zwaar ingrijpt in het gezinsleven en de hechting van de baby onomkeerbare schade kan toebrengen. Zij stelden dat een spoedige behandeling met toezicht in een moeder-kindhuis de veiligheid van het kind zou kunnen waarborgen.
Het hof oordeelde dat de ouders niet hadden aangetoond dat hun belang bij schorsing zwaarder woog dan het belang van het ongeboren kind bij bescherming. Het hof achtte het NIFP-rapport betrouwbaar en vond de voorgestelde alternatieven onvoldoende zeker en veilig. Ook de optie om het kind bij de grootmoeder op te nemen werd als onrealistisch beoordeeld vanwege ziekte en lastige familieverhoudingen.
Daarom wees het hof het verzoek tot schorsing af en bevestigde de uitvoerbaarheid van de uithuisplaatsingsbeschikking. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018 door een meervoudige kamer van het gerechtshof.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de uithuisplaatsing van het ongeboren kind wordt afgewezen.