ECLI:NL:GHARL:2018:8599

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 september 2018
Publicatiedatum
26 september 2018
Zaaknummer
21-000511-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511i SvArt. 557 SvArt. 422 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid appellante in hoger beroep ontnemingszaak na vrijspraak hoofdzaak

In deze ontnemingszaak stond de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en van appellante in hoger beroep centraal. Appellante was in de hoofdzaak vrijgesproken op 13 maart 2017, en deze uitspraak was onherroepelijk geworden doordat het openbaar ministerie geen cassatie had ingesteld. Hierdoor verviel de grondslag voor de ontnemingsvordering van rechtswege.

Het openbaar ministerie trok vervolgens zijn hoger beroep in de ontnemingszaak in, terwijl appellante volhardde in haar hoger beroep. Beide partijen waren het erover eens dat dit tot niet-ontvankelijkheid moest leiden, maar verschilden van mening over wie niet-ontvankelijk verklaard moest worden.

Het hof oordeelde dat de ontvankelijkheid van appellante in haar hoger beroep voorafgaat aan die van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering. Gezien de afhankelijkheidsrelatie tussen de hoofdzaak en de ontnemingsprocedure, en de wettelijke bepalingen in artikel 511i Sv, is de grondslag voor de ontnemingsvordering komen te vervallen door de onherroepelijke vrijspraak. Daarom mist appellante belang bij haar hoger beroep en wordt zij niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep in de ontnemingszaak vanwege de onherroepelijke vrijspraak in de hoofdzaak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000511-16
Uitspraak d.d.: 25 september 2018
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2016 met parketnummer 07-662479-11 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[appellante],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De appellante en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van appellante in het door haar ingestelde hoger beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door appellante en haar raadsman, mr. E. van Reydt, naar voren is gebracht.

Ontvankelijk van het hoger beroep

Appellante is bij arrest van dit hof van 13 maart 2017 vrijgesproken van hetgeen haar is ten laste gelegd in de samenhangende hoofdzaak. Het openbaar ministerie is van deze uitspraak niet in cassatie gegaan, waardoor het arrest 27 maart 2017 in kracht van gewijsde is gegaan. Vervolgens heeft het openbaar ministerie zijn in de ontnemingszaak ingestelde hoger beroep op 18 mei 2017 ingetrokken. Appellante heeft volhard in het door haar ingestelde hoger beroep in de ontnemingszaak.
Beide procesdeelnemers delen het standpunt dat er aan de thans ontstane situatie het rechtsgevolg moet worden verbonden van een niet-ontvankelijkheid. Verschil van mening bestaat evenwel tot waar die niet-ontvankelijkheid zich rechtens dient uit te strekken: de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering, zoals bepleit door de verdediging, of de niet-ontvankelijkheid van appellante in het door haar ingestelde hoger beroep, zoals gevorderd door het openbaar ministerie.
Het hof stelt voorop dat de vraag naar de ontvankelijkheid van appellante in het door haar ingestelde hoger beroep in de onderhavige zaak voorafgaat aan de vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering. Daarnaast is er sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen enerzijds een veroordelend vonnis en anderzijds een ontnemingsprocedure. Dit uit zich in die zin dat voor een geslaagde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een veroordeling in de daarmee samenhangende hoofdzaak een conditio sine qua non is. In het wettelijke stelsel komt deze onlosmakelijke band – indien er tegen uitspraken een rechtsmiddel is ingediend - tot uitdrukking in de artikelen 511i en 557 van het Wetboek van Strafvordering. Voornamelijk het eerstgenoemde artikel is hier van belang, luidende:
‘Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.’
Het hof is van oordeel dat door de hierboven genoemde vrijspraak de dato 13 maart 2017, die na omme loop van 2 weken in kracht van gewijsde is gegaan door het achterwege blijven van een cassatieberoep door het openbaar ministerie, de grondslag aan de door appellante bestreden uitspraak van rechtswege is komen te vervallen. Appellante mist derhalve enig belang bij het instellen van een rechtsmiddel in de onderhavige ontnemingszaak.
Het hof zal appellante daarom in zoverre niet-ontvankelijk in haar hoger beroep verklaren.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. T.H. Bosma, voorzitter,
mr. L.T. Wemes en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van D. Janssen, griffier,
en op 25 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. P.T. Heblij is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.