De heffingsambtenaar van de gemeente Ommen legde aan belanghebbende aanslagen toeristenbelasting op voor de jaren 2013 tot en met 2015, welke belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar, waarna de heffingsambtenaar hoger beroep instelde.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de vrijstelling van toeristenbelasting voor verblijf waarvoor forensenbelasting is verschuldigd, van toepassing is op de huurders van twaalf gemeubileerde stacaravans die belanghebbende verhuurt. Belanghebbende stelt dat de huurders langdurig verblijven en dat daardoor de vrijstelling geldt, terwijl de heffingsambtenaar betwist dat de huurders niet hun hoofdverblijf in de gemeente Ommen hebben.
Het hof oordeelt dat belanghebbende, die zich beroept op de vrijstelling, de feiten en omstandigheden moet stellen en aannemelijk maken waaruit blijkt dat de huurders niet hun hoofdverblijf in de gemeente hebben. Omdat belanghebbende daartoe nog geen concrete en verifieerbare gegevens heeft overgelegd, wordt de bewijslast anders verdeeld dan partijen hadden aangenomen. Het hof schorst de verdere behandeling en geeft belanghebbende gelegenheid om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken. De beslissing omtrent proceskosten wordt gereserveerd.