Belanghebbende exploiteert een cadeau- en sfeerwinkel in Harlingen en kreeg een aanslag reclamebelasting opgelegd voor het jaar 2015. De aanslag werd gehandhaafd door de heffingsambtenaar en de rechtbank, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het geschil betrof de rechtmatigheid van de aanslag, waarbij belanghebbende stelde dat de zonering en tariefdifferentiatie in de Verordening reclamebelasting 2014 in strijd zijn met de Gemeentewet, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. De heffingsambtenaar voerde verweer en stelde dat de opbrengst ten goede komt aan het ondernemersfonds dat activiteiten in de binnenstad financiert.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende bewijs leverde voor een objectieve en redelijke rechtvaardiging van de zonering en tariefdifferentiatie. Essentiële stukken zoals begrotingen, overzichten van activiteiten en de mate van profijt voor ondernemers ontbraken. Hierdoor ontbrak verbindende kracht aan de Verordening en werd de aanslag vernietigd.
Daarnaast veroordeelde het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van belanghebbende. De uitspraak werd openbaar gedaan op 9 oktober 2018 door het hof te Leeuwarden.