In deze zaak staat de afstorting van het in eigen beheer opgebouwde pensioen centraal na de echtscheiding van partijen. Het hof onderzoekt of de pensioenopbouw bij de man begon op 1 januari 1997 of 1 januari 2003. Op basis van deskundigenrapporten en jaarrapporten oordeelt het hof dat de pensioenopbouw vanaf 1997 moet worden berekend.
De man had reeds €160.000,- afgestort, maar het hof bepaalt dat hij nog €142.372,- moet afstorten aan de vrouw, gebaseerd op de commerciële waarde van de pensioenaanspraken per peildatum 23 maart 2012. Het hof wijst het verzoek van de vrouw af om uit te gaan van de waarde per 1 januari 2018, omdat dit niet redelijk is gezien de postrelationele solidariteit.
Verder oordeelt het hof dat er op de peildatum voldoende kapitaal aanwezig was in de onderneming om de afstorting te doen zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. De man wordt veroordeeld tot afstorting vóór 8 november 2018, met een dwangsom van €5.000,- per dag bij niet-naleving, tot een maximum van €200.000,-. De kosten van het geding worden gecompenseerd.