Conclusie
op het moment van afstortenof
op de peildatum(het tijdstip van scheiding in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, i.e. de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand). Het hof heeft in laatste zin geoordeeld. Er wordt in cassatie geklaagd dat uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het moment van afstorten moet worden aangehouden. Voorts wordt in dit kader geklaagd over de proceshouding van de man en het volgens het middel daardoor veroorzaakte tijdsverloop, die tot dezelfde conclusie zouden moeten leiden. In de conclusie wordt ook ingegaan op de vraag of sprake is van een eventueel dekkingstekort op het tijdstip van scheiding en/of daarna, en wat daarvan het gevolg zou (moeten) zijn.
1.Feiten en procesverloop
grieven 7 en 8heeft hij zich tegen de beslissing omtrent de pensioenverevening verzet.
grief 1gekeerd tegen de beslissing omtrent de pensioenverevening. Zij verzoekt daarbij, voor zover relevant, de beschikkingen van de rechtbank te vernietigen voor zover deze zien op de beslissing aangaande het door de man middels [A] af te storten bedrag aan pensioenaanspraken van de vrouw en dienaangaande te bepalen dat [A] gehouden zal zijn tot afstorting van de volledige pensioenaanspraken van de vrouw ad € 300.527,- althans een bedrag als het hof in goede justitie dient te bepalen.
grieven 7 en 8van de man falen en
grief 1van de vrouw slaagt (rov. 2.9). Het hof heeft vervolgens de bestreden beschikking van 1 april 2015 vernietigd voor zover het betreft de beslissing over de pensioenverevening en in zoverre opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man gehouden is om zorg te dragen voor afstorting van een bedrag van in totaal € 302.372,- bij een externe pensioenverzekeraar ter zake van het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraken zoals die door de man in eigen beheer zijn opgebouwd, aan welke restantafstortingsverplichting van € 142.372,- de man zal dienen te voldoen vóór 8 november 2018 op verbeurte van een dwangsom ten behoeve van de vrouw van € 5.000,- voor iedere dag dat de man na die datum verzuimt aan die verplichting te voldoen, met een maximum van € 200.000.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
per peildatumen niet per datum van afstorten en dat (slechts) motiveert met de overweging dat het hof het – mede gelet op de postrelationele solidariteit – niet redelijk acht dit ten laste van de man te laten komen, nu dit eveneens zou gelden voor de aanspraak van de man. Volgens het onderdeel volgt uit HR 14 april 2017 [12] dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen in het algemeen zullen meebrengen dat de tot verevening verplichte echtgenoot die als directeur en enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal
dat nodig isvoor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Dat betekent dat voor de hoogte van het af te storten bedrag niet zozeer relevant, laat staan doorslaggevend is wat de hoogte van de aanspraak is op de peildatum, als wel welk bedrag voor de afstorting nodig is om die aanspraak zoals vastgesteld op de peildatum te kunnen effectueren. Dat kan niet anders worden begrepen dan dat dient te worden berekend wat de aanspraak is op de peildatum, waarna
op de datum van afstortendat bedrag moet worden verstrekt dat nodig is om die pensioenaanspraak bij de verzekeraar ook daadwerkelijk te kunnen realiseren, aldus het onderdeel. De overige overwegingen van genoemd beschikking doen daaraan volgens het onderdeel niet af. De vennootschap dient in beginsel zorg te dragen voor het voorhanden hebben van voldoende geld in kas, en als dat zo is, moet de afstortingsverplichting onverminderd worden nagekomen. Slechts indien er een onderdekking is, kan de postrelationele solidariteit meebrengen dat dit tekort gelijkelijk wordt gedeeld.
mede gelet op het verloop van de procedure” een dwangsom verbindt aan de afstortingsplicht van de man.
commerciële waardevan het aan de vereveningsgerechtigde echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraken, waarbij de heersende marktrente tot uitgangspunt wordt genomen, volgt met zoveel woorden uit HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693. [19]
tot wanneerhet door de man in eigen beheer opgebouwde pensioen met de vrouw moet worden verevend. Die datum – de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand – geldt dan ook op grond van art. 1 sub a en Pro b van de Wvps als ‘tijdstip van scheiding’, welk tijdstip op grond van art. 2 lid 1 Wvps Pro bepalend is voor het einde van de termijn waarover recht op pensioenverevening bestaat. De klachten betreffen de vraag of deze datum ook het uitgangspunt moet zijn
voor de berekening van de commerciële waardevan het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraken en daarmee het door de man ten behoeve van de vrouw af te storten kapitaal.
op het moment van afstortingnodig is om de aanspraken van de tot verevening gerechtigde echtgenoot te verzekeren (de commerciële waarde van het aan de vrouw toekomende deel van de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van afstorting). Deze aanspraken vloeien immers voort uit de pensioentoezegging van de vennootschap jegens de man, op nakoming waarvan de vrouw na de echtscheiding voor haar deel een rechtstreeks recht kan doen gelden. De daartegenover staande verplichting blijft tot aan het moment van afstorting op de vennootschap rusten: die is derhalve tot aan dat moment gehouden aan de man, en als afgeleide daarvan – na de scheiding – deels ook aan de vrouw,
de toegezegde pensioenuitkeringen te voldoenvanaf het moment dat deze zullen ingaan en het recht op uitbetaling daarvan ontstaat. Dat betekent dat de vennootschap er in de tussentijd voor moet zorgen dat er (steeds) voldoende kapitaal beschikbaar is om haar verplichtingen te zijner tijd na te kunnen komen. [21] Het risico dat voor de nakoming hiervan na verloop van tijd door een lager wordende rente méér kapitaal is vereist dan eerder het geval was, komt hierbij, althans in beginsel, voor rekening van de vennootschap die de pensioentoezegging heeft gedaan. Op het moment van afstorting, ná de echtscheiding, ligt dit risico derhalve nog steeds bij die vennootschap. Pas door de afstorting komt aan dit risico een einde. Als de vrouw een beroep doet op het recht op afstorting dat haar in beginsel toekomt, dan betreft dat (een deel van) de door de vennootschap destijds toegezegde pensioenuitkeringen op – doorgaans – een moment in de toekomst. Ook op het moment van de afstorting heeft de vennootschap derhalve nog de plicht om een kapitaal af te storten bij een externe pensioenverzekeraar dat
daadwerkelijknodig is voor haar deel van de pensioenaanspraken, en waarmee haar deel van de bedoelde pensioenuitkeringen dus, met andere woorden,
daadwerkelijkkan worden verzekerd. [22]
heersende marktrente”tot uitgangspunt wordt genomen; dit uitgangspunt dient om na afstorting “
tot dezelfde pensioenuitkering te komen” als waarop de tot verevening gerechtigde echtgenoot zonder afstorting aanspraak had kunnen maken) en eerder al in HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1289 [23] , rov. 4.4 (waarin wordt overwogen dat het hoofddoel van de pensioenwetgeving is “
te waarborgen dat de (…) gedane pensioentoezegging zoveel mogelijk gestand wordt gedaan” en dat de tot verevening gerechtigde echtgenoot in dat geval na de echtscheiding niet behoefde te aanvaarden dat “
haar hier aan de orde zijnde pensioenen niet (volledig) tot uitbetaling kunnen komen”). Op vergelijkbare wijze spreken bovendien bijvoorbeeld Wortmann, het gerechtshof Den Bosch en de rechtbank Den Haag er respectievelijk van dat “
dewerkelijkeaanspraak verevend moet worden” [24] , dat “
de man moet zorgdragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het bedrag dat (daadwerkelijk) nodig is voor het aan de vrouw toekomende deel van haar pensioenaanspraken” [25] en dat “
het aan de werkgever (in dit geval de onderneming) [is] om ervoor zorg te dragen dat de financiering van het pensioenkapitaal zodanig is dat devolledige pensioenaanspraken, zoals opgenomen in de pensioenbrief, te zijner tijd kunnen worden uitgekeerd” [26] (onderstrepingen toegevoegd,
AG). [27] [28]
vennootschapvan een door die vennootschap gedane pensioentoezegging. Bovendien gaat het hier strikt genomen om solidariteit – deling van een dekkingstekort – indien
op het tijdstip van scheidingeen gebrek aan kapitaal bestaat, en wordt niet gerept van dergelijke solidariteit ten aanzien van (de ontwikkeling van) ditzelfde kapitaal in de periode ná de scheiding (en dus – daadwerkelijk –
postrelationeel). [32]
zonder daarbij de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. De toets naar de vraag of voldoende liquide middelen aanwezig zijn, kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen om afstorting van het kapitaal ter dekking van het pensioen waarop de vrouw recht heeft te effectueren, zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen, is naar mijn idee immers een toets die (voortvloeit uit HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658 en), als gezegd, in beginsel losstaat van de vraag die hier allereerst aan de orde is. Ten behoeve van die eerste toets dient – overeenkomstig HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693 – te worden onderzocht of er in de vennootschap (in de vorm van een voorziening of van eigen vermogen) op het tijdstip van scheiding, maar zoals zojuist betoogd in het hier aan de orde zijnde geval óók op het moment van afstorting, voldoende kapitaal aanwezig is om én het – naar commerciële waarde berekende – aandeel van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten, én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om – opnieuw naar commerciële waarde berekend – de met het aandeel van de tot verevening verplichte echtgenoot corresponderende pensioenaanspraak te dekken. Een dergelijk tekort moet immers worden gedeeld, óók indien afstorting van het volledige pensioen van de vrouw nog niet direct de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen, maar wel de dekking van het volledige pensioen van de man. Ook hoeft voor deze toets nog niet gekeken te worden of het bedoelde kapitaal in de vorm van liquide middelen aanwezig is, het vrijgemaakt kan worden of van elders kan worden verkregen. Pas nadat is bepaald of er sprake is van een dekkingstekort dat moet worden gedeeld of niet, volgt, voor zover daartoe aanleiding bestaat, de toets naar de continuïteit van de onderneming bij toewijzing van een recht op afstorting van pensioen.
thans” (op moment dat het hof de man tot afstorting veroordeelt) niet voldoende middelen in [A] aanwezig zijn (rov. 2.7). Daarbij moet nochtans, als gezegd, worden aangetekend dat deze overwegingen van het hof zijn gebaseerd op de commerciële waarde per peildatum en niet per datum van afstorten, welke laatste datum mijns inziens dus wél moet worden aangehouden. Op eerstgenoemde datum bedroeg deze waarde, zoals berekend door de deskundige en – in cassatie onbestreden – overgenomen door het hof, voor de vrouw € 302.372,-; op laatstgenoemde datum, althans per 1 januari 2018, bedroeg deze (rest)waarde voor de vrouw € 357.089,- (rov. 2.5). Dat leidt tot de conclusie dat niet zonder meer gezegd kan worden dat het (werk-)kapitaal ook voldoende is voor afstorting van de commerciële waarden van de pensioenaanspraken van beide echtgenoten naar datum van afstorting. [37] Tegelijkertijd lijkt echter ook te moeten worden geconcludeerd dat er op de peildatum in ieder geval ruimte bestond om méér kapitaal aan de vrouw toe te kennen voor afstorting van haar pensioen dan het hof heeft gedaan, zonder af te doen aan het recht van de man. [38] Kortom, niet geheel duidelijk is of er op het moment van afstorting toch sprake zou zijn van een dekkingstekort dat zou moeten worden gedeeld en tot een lager afstortingskapitaal voor de vrouw zou leiden, en of haar deel van een dergelijk dekkingstekort wellicht (minstens) even groot zou zijn als de hogere commerciële waarde waarop de vrouw (zoals gesteld in haar klachten in cassatie) in beginsel recht heeft, maar haar door het hof is ontzegd. In ieder geval kan hiermee niet gezegd worden dat het belang van de vrouw bij het slagen van haar klachten zonder meer ontbreekt.
thans”) voor afstorting van de commerciële waarden van de pensioenaanspraken van man en vrouw en of de continuïteit van de onderneming in gevaar werd gebracht, niet in stand blijven, nu die zijn gebaseerd op de commerciële waarde(n) van de pensioenaanspraken op de peildatum. Deze beoordelingen dienen derhalve – na vernietiging en verwijzing – opnieuw te worden gedaan, met dien verstande dat daarbij vaststaat dat er niet voldoende onderbouwde stellingen door de man zijn aangevoerd om aan te kunnen nemen dat – los van het feit dat met afwijkende commerciële waarde(n) moet worden gerekend, en dus door andere oorzaken dan deze – een op de peildatum vastgesteld voldoende kapitaal, op het moment dat het hof zijn beschikking wees alsnog ontoereikend was geworden voor de verzekering van beider pensioenaanspraken of dat de continuïteit van de onderneming op dat moment alsnog door afstorting in gevaar zou komen.