Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
appellant,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure stond de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen een tussenvonnis centraal. De kantonrechter had op 18 april 2018 een tussenvonnis gewezen waarin een comparitie van partijen werd bepaald, maar waarin geen deelvonnis werd uitgesproken dat een einde maakte aan een deel van het geding.
Appellant stelde dat het vonnis materieel deels een eindvonnis bevatte en dat daarom tussentijds hoger beroep mogelijk was. De kantonrechter stond tussentijds hoger beroep toe na een verzoek van appellant op 27 juli 2018, maar dit verzoek werd pas na het verstrijken van de beroepstermijn van drie maanden ingediend.
Het hof oordeelde dat het vonnis een tussenvonnis was waartegen alleen tegelijk met het eindvonnis hoger beroep kon worden ingesteld. Omdat het verzoek tot tussentijds hoger beroep niet tijdig was gedaan, verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hem in de kosten.
De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van artikel 337 lid 2 Rv Pro omtrent de ontvankelijkheid van hoger beroep tegen tussenvonnissen zonder deelvonnis en bevestigt dat een verzoek tot tussentijds hoger beroep binnen de beroepstermijn moet worden ingediend.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het tussenvonnis wegens niet-tijdige indiening van het verzoek tot tussentijds hoger beroep.