Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.De slotsom
(1 procespunt x appeltarief II a € 1.074 per punt).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze kort gedingprocedure stond de vraag centraal of het conservatoir beslag dat appellant op 4 mei 2017 op een onroerende zaak van geïntimeerde had gelegd, rechtsgeldig was. De voorzieningenrechter had het beslag opgeheven wegens niet-tijdige betekening van het beslagexploot. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat de betekening van het beslagexploot tijdig was geschied, maar dat het vonnis tot opheffing van het beslag niet kon worden vernietigd omdat geïntimeerde de onroerende zaak op 20 juli 2017 aan een derde had geleverd, waardoor de gewijzigde rechtstoestand geëerbiedigd moest worden. Hierdoor herleefde het beslag niet.
Verder stelde appellant dat zij toestemming had gekregen voor een tweede beslaglegging, maar kon dit niet onderbouwen. Het hof vond dat appellant ondanks het ontbreken van spoedeisend belang wel belang had bij het hoger beroep vanwege de proceskostenveroordeling. De vordering van appellant was summierlijk onvoldoende onderbouwd, mede omdat de bodemprocedure nog liep. De proceskostenveroordeling bleef daarom in stand.
In het incidenteel hoger beroep werd de vordering van geïntimeerde afgewezen omdat het kort geding geen ruimte bood voor een inhoudelijke beoordeling van de bodemprocedure. Het hof veroordeelde appellant en geïntimeerde respectievelijk in de kosten van principaal en incidenteel hoger beroep en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis tot opheffing van het conservatoir beslag en handhaaft de proceskostenveroordeling tegen appellant.