Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
- het beroepschrift met producties, met een verzoek tot schorsing van de
- uitvoerbaarverklaring bij voorraad van twee beschikkingen, ingekomen op 24 juni 2019;
- het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad;
- een journaalbericht van mr. Vrolijks van 25 juli 2019 met producties, en
- een journaalbericht van mr. Vrolijks van 6 augustus 2019 met producties.
- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] , en
- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [plaats] ,
4.De motivering van de beslissing
- i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem verzochte schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.
- ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de verzoeker bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.
- iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.