ECLI:NL:GHARL:2019:10096

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2019
Publicatiedatum
25 november 2019
Zaaknummer
Wahv 200.226.443/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WahvArt. 30, tweede lid, WAMArt. 30, derde lid, WAMArt. 67, eerste lid, WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bij administratieve sanctie bromfietsverzekering

De betrokkene stelde beroep in tegen een administratieve sanctie van €330 wegens het niet afsluiten en in stand houden van een verzekering voor zijn bromfiets. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een deugdelijke machtiging van de gemachtigde [A].

Het hof stelde vast dat de afwijking in het CJIB-nummer in de machtiging onvoldoende was om twijfel te zaaien over de vertegenwoordigingsbevoegdheid. De kantonrechter had het verzoek van [A] om te melden indien de machtiging onleesbaar was niet beantwoord. Daarom oordeelde het hof dat de machtiging geldig was en vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring.

Het hof beoordeelde vervolgens inhoudelijk het beroep tegen de sanctie. De sanctie betrof een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). De betrokkene had geen gebruik gemaakt van de bromfiets sinds oktober 2014 vanwege diefstal, maar dit vormde geen bijzondere omstandigheid die matiging van de sanctie rechtvaardigde.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.226.443/01
CJIB-nummer
: 193877466
Uitspraak d.d.
: 25 november 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 9 februari 2017, betreffende
mr. [A] ,
kantoorhoudende te [B]
beweerdelijk optredende voor

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Mr. [A] (hierna: [A] ) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
[A] heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 25 januari 2018 is nog een faxbericht van [A] ontvangen. Een kopie daarvan is aan de advocaat-generaal toegestuurd.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzuim een deugdelijke, zijnde een op deze zaak betrekking hebbende en leesbare, machtiging over te leggen niet is hersteld. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [A] heeft nagelaten dit verzuim te herstellen nadat hij daartoe bij schrijven van
8 november 2016 in de gelegenheid is gesteld en ook niet nadat hij hier in het kader van de oproeping van de zitting van de kantonrechter nogmaals op is gewezen.
2. Het hof stelt vast dat [A] op 8 januari 2016 beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking. Deze beschikking ziet op een op 19 oktober 2015 vastgestelde gedraging. Het beroepschrift is voorzien van een machtiging. Deze machtiging is gesteld op naam van [D] , ondertekend, voorzien van CJIB-nummer: 1062 5421 9378 en gedateerd 31 december 2015. Daarnaast is ter motivering van het administratieve beroep, als bijlage, een proces-verbaal van aangifte van 27 oktober 2015 van de betrokkene overgelegd.
3. Uit de stukken komt naar voren dat het volledige CJIB-nummer in deze zaak luidt: 1062 5421 9387 7466. Dat nummer wijkt af van het in de machtiging opgenomen nummer. Deze afwijking is in het licht van overige hiervoor weergegeven informatie in onderling verband en samenhang beschouwd onvoldoende om gerede twijfel te doen ontstaan omtrent de vertegenwoordigings-bevoegdheid van [A] .
4. Weliswaar heeft [A] nagelaten een beter leesbare versie van de betreffende machtiging aan de kantonrechter over te leggen, maar uit de stukken komt ook naar voren dat de kantonrechter niet heeft gereageerd op het verzoek van [A] om hem te berichten als de door hem ingebrachte machtiging niet goed leesbaar is. Alles overwegend is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende is gebleken dat er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigings-bevoegdheid van [A] .
5. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter de machtiging niet ontoereikend kunnen achten. Nu er naar het oordeel van het hof sprake is van een geldige machtiging, zal [A] verder als gemachtigde worden aangemerkt. Een en ander betekent dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen. De overige door de gemachtigde tegen deze beslissing aangevoerde gronden behoeven daarmee geen bespreking.
6. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Bij deze beslissing heeft de officier van justitie het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 330,- opgelegd ter zake van “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 19 oktober 2015 met het voertuig met het kenteken [Y-000-YY] .
8. De gemachtigde heeft eerder in de procedure te kennen gegeven de door hem aangevoerde gronden tegen de beslissing van de officier van justitie in te trekken. In het kader van zijn hoger beroepschrift heeft de gemachtigde verzocht het bedrag van de sanctie matigen met een verwijzing naar een arrest van het hof van 1 september 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:7647). Het hof begrijpt het verzoek van de gemachtigde aldus dat het hof in zijn overwegingen zou moeten betrekken de omstandigheid dat op grond van de overgelegde aangifte van diefstal duidelijk is dat bromfiets van de betrokkene zich sinds 19 oktober 2014 in defecte staat in de berging van zijn moeder bevond en dat er door betrokkene tot 23 oktober 2015, zijnde het moment van constateren van de diefstal van de bromfiets, geen gebruik is gemaakt van deze bromfiets op de openbare weg.
9. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Deze bepaling brengt mee dat voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, degene aan wie het kenteken is opgegeven een verzekering overeenkomstig deze wet moet afsluiten en in stand houden.
10. Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kan de betrokkene als kentekenhouder van het motorrijtuig, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer verzoeken de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de verzekeringsplicht gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 2, derde lid, WAM) en de betrokkene dus niet strafbaar is wanneer er dan geen verzekering van kracht is (artikel 30, derde lid, WAM).
11. Voorop staat dat de in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in
artikel 2 van Pro de Wahv meebrengt dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van
invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie en dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om van het voor elke gedraging vastgestelde tarief af te wijken. Dat de betrokkene ten tijde van de registercontrole met zijn bromfiets kennelijk geen deel heeft genomen aan het verkeer vormt geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot matiging van het bedrag van de sanctie.
12. In de zaak waarnaar de gemachtigde verwijst heeft het openbaar ministerie gebruikgemaakt van zijn eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van de sanctie lager vast te stellen. In de onderhavige zaak is van een dergelijke bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Er is geen sprake van beleid of een vaste gedragslijn op dat punt (vergelijk het arrest van het hof van 4 februari 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2019:985.), zodat het hof voorbij zal gaan aan het verzoek van de gemachtigde.
13. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
14. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.