ECLI:NL:GHARL:2019:10251

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2019
Publicatiedatum
29 november 2019
Zaaknummer
Wahv 200.257.675/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 12 WahvArt. 62 RVV 1990Art. 68 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in zaak roodlichtnegatie

De betrokkene stelde beroep in tegen een sanctie van €230 wegens het niet stoppen voor een rood licht op 21 juni 2018 in Eindhoven. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen gronden zou bevatten en het beroep niet op zitting was behandeld.

Het hof stelde vast dat de kantonrechter ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, omdat wel degelijk een grond was aangevoerd in de zin van artikel 6:5 Awb Pro en de kantonrechter verplicht was het beroep op zitting te behandelen. Het hof vernietigde daarom deze beslissing en ging inhoudelijk op het beroep in.

Het hof oordeelde dat de gedraging van het passeren van het rode licht was verricht en dat de sanctie terecht was opgelegd. De betrokkene had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat stoppen niet mogelijk was, ondanks de korte geeltijd van 3 seconden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de sanctie van €230 wegens het negeren van het rode verkeerslicht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.257.675/01
CJIB-nummer
: 218028368
Uitspraak d.d.
: 29 november 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 november 2019. De gemachtigde van de betrokkene is, zoals vooraf doorgegeven, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift geen gronden bevat en de gemachtigde geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat niet-ontvankelijkheid achterwege zou moeten blijven.
2. De gemachtigde voert aan bij brief van 22 oktober 2018 een grond te hebben ingediend. De kantonrechter heeft het beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
3. Uit het dossier blijkt dat de kantonrechter het beroep van de betrokkene niet op een zitting heeft behandeld. Gelet op artikel 12, eerste lid, van de Wahv, was de kantonrechter hiertoe wel gehouden.
4. Het hof stelt verder vast dat de gemachtigde in het beroepschrift van 22 oktober 2018 heeft aangevoerd dat de gedraging niet (verwijtbaar) is verricht. Dit is een grond in de zin van de artikel 6:5, eerste lid, sub d, van de Algemene wet bestuursrecht (vgl. het arrest van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:10365). De kantonrechter heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 juni 2018 om 19:45 uur op de Boschdijk in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] . De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard.
6. De gemachtigde voert aan dat – indien en voor zover vaststaat dat het rode licht is gepasseerd – stoppen niet meer mogelijk was. De gedraging is dus – indien überhaupt verricht – niet verwijtbaar begaan. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de relatief (te) korte geeltijd. Het zaakoverzicht heeft niet te gelden als ambtsedige verklaring. Nu er in deze zaak geen rechtsgeldige bewijsstukken aanwezig zijn, althans geen stukken waaraan de betekenis kan worden toegekend die aan een ambtsedige verklaring kan worden toegekend, had de inleidende beschikking niet, althans niet met de gegeven motivering in stand mogen blijven.
7. Gelet op vaste jurisprudentie van het hof (onder meer het arrest van het hof van 4 april 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:2855) staat het ontbreken van een ambtsedige verklaring niet aan oplegging van een sanctie in de weg. Op basis van de gegevens in het zaakoverzicht en de foto’s het dossier stelt het hof vast dat de gedraging is verricht.
8. Dat de sanctie ten onrechte zou zijn opgelegd, omdat de gedraging niet verwijtbaar is verricht, is niet aannemelijk geworden. Van weggebruikers wordt verwacht dat zij hun weggedrag zodanig afstemmen op verkeerssituaties en verkeerstekens, zoals een verkeerslicht, dat zij in staat zijn daarop tijdig te anticiperen. Gelet op artikel 62 jo Pro. 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 moet voor een geel verkeerslicht worden gestopt, tenzij dat redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Aangenomen mag worden dat de geelfase van een verkeerslicht in het algemeen voldoende lang duurt om daarbinnen een voertuig veilig tot stilstand te brengen. Dat de geelfase – die in deze zaak 3,0 seconden bedroeg – daarvoor onvoldoende was, is niet aannemelijk worden.
9. De officier van justitie heeft overwogen dat uit de beschikbare informatie blijkt dat de betrokkene het verkeerslicht passeerde op het moment dat het verkeerslicht al 3,0 seconden oranje licht uitstraalde en 1,4 seconden rood en dat uit de beschikbare informatie is gebleken dat de betrokkene het rode verkeerslicht heeft genegeerd. Van een gebrek in de motivering is naar het oordeel van het hof geen sprake.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
11. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.