Restinn B.V. en een campinghouder sloten een overeenkomst voor het plaatsen van vrijstaande hotelkamers op het terrein van de campinghouder, waarbij deze verantwoordelijk was voor de aanleg van de benodigde infrastructuur. Na verslechtering van de relatie en onenigheid over de uitvoering, stelde Restinn de campinghouder in gebreke en startte een kort geding.
De voorzieningenrechter veroordeelde de campinghouder tot nakoming van de verplichtingen uiterlijk 10 oktober 2019, met een dwangsom bij niet-naleving. De campinghouder ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat interne problemen bij Restinn, financiële onrendabiliteit, onduidelijkheid over het gebruik van een telekraan, afhankelijkheid van derden en een beroep op opschorting en dwaling aan zijn zijde stonden.
Het hof oordeelde dat de interne problemen bij Restinn en financiële argumenten de nakoming niet konden verhinderen. Er was geen vaste afspraak over het gebruik van een telekraan en het gebruik daarvan was niet verplicht. De afhankelijkheid van derden voor elektriciteitsaansluiting werd erkend, maar leidde niet tot opschorting. Het beroep op dwaling faalde wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter voor wat betreft de termijn en bepaalde een nieuwe termijn tot uiterlijk 1 maart 2020 voor afronding van de werkzaamheden en plaatsing van de hotelkamers. De dwangsom bleef gehandhaafd. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het vonnis werd verder bekrachtigd.