ECLI:NL:GHARL:2019:10564

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 december 2019
Publicatiedatum
10 december 2019
Zaaknummer
200.234.070
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019h RvArt. 237 RvArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof wijst proceskosten toe in auteursrechtelijke handhavingszaak

In deze civiele procedure stond de vraag centraal welke proceskostenregeling van toepassing is op een vordering tot handhaving van auteursrecht. Lizard Apps vorderde een verbod tegen Haerst wegens inbreuk op haar auteursrecht op software. Haerst voerde een licentieovereenkomst aan als verweer.

Het hof oordeelde dat ondanks het verweer van Haerst, de vordering van Lizard Apps een handhavingsvordering betreft waarop artikel 1019h Rv van toepassing is. Het hof wees de proceskosten in eerste aanleg toe aan Haerst en vernietigde het onderdeel van het vonnis dat dat anders bepaalde.

Verder stelde het hof vast dat de door Haerst opgevoerde advocaatkosten redelijk waren en wees deze toe. Een latere declaratie werd niet in aanmerking genomen vanwege te late indiening. Klachten van Lizard Apps over de feitenvaststelling en beslissingen van de voorzieningenrechter werden ongegrond verklaard.

Het hof veroordeelde Lizard Apps ook in de kosten van het hoger beroep en in nakosten, en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad. Daarmee werd Haerst in het gelijk gesteld omtrent de proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hof vernietigt het onderdeel over proceskosten van het vonnis en veroordeelt Lizard Apps tot betaling van proceskosten aan Haerst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.234.070
(zaaknummer rechtbank Gelderland C/05/325815)
arrest in kort geding van 10 december 2019
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Haerst B.V.,
gevestigd te Ermelo,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna: Haerst,
advocaat: mr. H.G.R. Meulmeester,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Lizard Apps B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna: Lizard Apps,
advocaat: mr. E.O.H. Martens.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 oktober 2018 hier over. Het verdere verloop blijkt uit de antwoordakte van Haerst. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1
Partijen twisten over de vraag of op de proceskostenveroordeling in eerste instantie artikel 1019h Rv (Haerst) of artikel 237 e.v. Rv (Lizard Apps) van toepassing is. Het hof beslist daarover als volgt. Lizard Apps heeft aan haar vordering een inbreuk op het haar toekomende auteursrecht op de door Haerst gebruikte software ten grondslag gelegd. Zij heeft een verbod ten laste van Haerst gevorderd verdere inbreuken op haar auteursrecht te maken. Daarmee is sprake van een vordering tot handhaving van een auteursrecht, wat betekent dat de artikelen 1019-1019i Rv van toepassing zijn. Dat Haerst als verweer heeft gevoerd dat zij op grond van een licentieovereenkomst gerechtigd was de auteursrechtelijk beschermde software te gebruiken, verandert niet het karakter van de handhavingsvordering. Voor de toewijsbaarheid van de vordering was weliswaar beslissend of de licentieovereenkomst al of niet kon worden opgezegd, een vraag uit het algemene verbintenissenrecht, maar die omstandigheid doet er niet aan af dat de grondslag van de vordering handhaving van het aan Lizard Apps toekomende auteursrecht was. Dat betekent dat de proceskostenveroordeling moet worden vastgesteld op grond van artikel 1019h Rv. Het daarop ziende verweer van Lizard Apps wordt verworpen.
2.2
Haerst heeft bij grieven alsnog de urenstaat en declaratie van 22 september 2017 overgelegd. Daaruit blijkt dat haar advocaat tot de zitting 17 uur en 48 minuten heeft besteed tegen een uurtarief van € 250 exclusief BTW, tezamen € 4.450. Dat bedrag komt het hof redelijk voor en zal het alsnog toewijzen, met vernietiging van onderdeel 5.2 van het dictum van het vonnis van 9 oktober 2017. Voor toewijzing van het indicatietarief van € 6.000 ziet het hof geen aanleiding, omdat Haerst minder kosten heeft gemaakt. Bij akte heeft Haerst een declaratie van 3 oktober 2017 overgelegd, waarin de uren en kosten tot en met de zitting op 25 september 2017 zijn vermeld (33 uur en 24 minuten, respectievelijk, € 7.097,50 exclusief BTW). Het hof gaat aan deze specificatie voorbij, omdat zij te laat is ingediend en Lizard Apps daarop niet heeft kunnen reageren.
2.3
Voor het hof is niet komen vast te staan dat Haerst hem onjuist heeft voorgelicht over het in het ongerede raken van een e-mail van 24 september 2017 aan de rechtbank met daarbij de urenspecificatie gevoegd. Het beroep op artikel 21 Rv Pro door Lizard Apps faalt daarom. Ook al zou blijken dat de kwalificatie
“in het ongerede raken”van een e-mail niet adequaat zou zijn voor het feit dat de urenspecificatie de voorzieningenrechter niet heeft bereikt, dan nog zou de sanctie daarop niet zijn dat het hoger beroep van Haerst daarom maar ongegrond moet worden geoordeeld.
2.4
In nrs. 2.2 t/m 2.6 van de memorie van antwoord klaagt Lizard Apps erover dat de voorzieningenrechter de feiten niet goed zou hebben vastgesteld. Ook al zou dat verwijt terecht zijn, dan nog leidt dat niet tot een andere beslissing over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. In nrs. 2.7 t/m 2.13 klaagt Lizard Apps over een aantal beslissingen van de voorzieningenrechter. De klachten zijn ongegrond want de beslissingen van de voorzieningenrechter zijn juist. Van het treden buiten de grenzen van de rechtsstrijd is geen sprake. De voorzieningenrechter heeft in het kader van het treffen van een voorlopige voorziening in het verweer van Haerst in de nrs. 31 e.v. van de conclusie van antwoord en van eis in reconventie redelijkerwijs kunnen lezen dat Haerst aanvoerde dat de licentieovereenkomst niet mag worden opgezegd gedurende de tijd die zij nodig heeft om over te schakelen naar andere software.
2.5
Hetgeen Lizard Apps verder nog heeft aangevoerd leidt niet tot een andere beslissing.

3.Slotsom

3.1
De grief slaagt, wat meebrengt dat onderdeel 5.2 van het bestreden vonnis moet worden vernietigd.
3.2
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Lizard Apps in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Omdat het geschil in hoger beroep slechts betrekking heeft op de begroting van proceskosten, zullen de ten laste van Lizard Apps komende proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Haerst Apps worden begroot overeenkomstig het liquidatietarief, te weten € 726 voor griffierecht en € 1.138,50 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 punt x tarief I).
3.3
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2017 voor zover het onderdeel 5.2 van het dictum betreft en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Lizard Apps tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Haerst tot de uitspraak van het vonnis van 9 oktober 2017 begroot op € 6.374, waarin begrepen € 4.450 aan salaris advocaat;
veroordeelt Lizard Apps in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Haerst vastgesteld op € 726 voor verschotten en op € 1.138,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
veroordeelt Lizard Apps in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval Lizard Apps niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;
verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, A.E.B. ter Heide en S.C.P. Giesen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 december 2019.