In deze civiele procedure stond de vraag centraal welke proceskostenregeling van toepassing is op een vordering tot handhaving van auteursrecht. Lizard Apps vorderde een verbod tegen Haerst wegens inbreuk op haar auteursrecht op software. Haerst voerde een licentieovereenkomst aan als verweer.
Het hof oordeelde dat ondanks het verweer van Haerst, de vordering van Lizard Apps een handhavingsvordering betreft waarop artikel 1019h Rv van toepassing is. Het hof wees de proceskosten in eerste aanleg toe aan Haerst en vernietigde het onderdeel van het vonnis dat dat anders bepaalde.
Verder stelde het hof vast dat de door Haerst opgevoerde advocaatkosten redelijk waren en wees deze toe. Een latere declaratie werd niet in aanmerking genomen vanwege te late indiening. Klachten van Lizard Apps over de feitenvaststelling en beslissingen van de voorzieningenrechter werden ongegrond verklaard.
Het hof veroordeelde Lizard Apps ook in de kosten van het hoger beroep en in nakosten, en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad. Daarmee werd Haerst in het gelijk gesteld omtrent de proceskostenveroordeling.