De zaak betreft een geschil over de vergoeding van de kosten van een TACE-behandeling (trans-arteriële chemo-embolisatie) die de overleden patiënte onderging in Duitsland voor levermetastasen van borstkanker. De echtgenoot vorderde vergoeding van Zilveren Kruis, die dit weigerde omdat de behandeling niet onder het basispakket viel.
De rechtbank wees de vordering af, en het hoger beroep richtte zich op de vraag of de TACE-behandeling bij deze indicatie voldeed aan de 'stand van de wetenschap en praktijk' zoals vereist in artikel 2.1 van het Besluit zorgverzekering. Het hof bevestigde dat er geen voldoende kwalitatief hoogstaande gerandomiseerde onderzoeken (RCT's) zijn die de effectiviteit van de behandeling bij deze indicatie aantonen.
Het hof volgde de beoordelingsmethodiek van het Zorginstituut Nederland (ZiN), dat de TACE-behandeling alleen als verzekerde zorg erkent bij andere indicaties dan levermetastasen van borstkanker. Het enkele gunstige resultaat bij de patiënte was onvoldoende om het ontbreken van wetenschappelijk bewijs te compenseren. Het beroep op bewijs van lagere orde werd verworpen omdat daarvoor geen uitzonderingssituatie bestond.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, wees de vordering af en veroordeelde de appellant in de proceskosten van het hoger beroep.