Partijen zijn in 1989 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen. Appellante onderging een geslachtsverandering en sindsdien leefden partijen niet meer samen. Geïntimeerde verzocht de echtscheiding en nevenvoorzieningen te regelen, appellante voerde verweer.
De rechtbank sprak op 21 maart 2019 de echtscheiding uit en stelde dat partijen tot overeenstemming waren gekomen over nevenvoorzieningen. Appellante betwistte dit en stelde dat zij niet akkoord was met de regeling. Het hof bevestigt dat het huwelijk duurzaam ontwricht is en bekrachtigt de echtscheiding.
Het hof oordeelt dat het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak een authentieke akte is die dwingend bewijs levert van de waarneming van overeenstemming, behoudens tegenbewijs. Omdat het proces-verbaal van de zitting zelf geen overeenstemming vermeldt en appellante concreet stelt dat geen overeenstemming is bereikt, laat het hof haar toe tegenbewijs te leveren.
Het hof bepaalt dat dit tegenbewijs ook kan bestaan uit getuigenverhoor onder leiding van een raadsheer-commissaris en stelt nadere procedurele regels vast. De beslissing over de nevenvoorzieningen wordt aangehouden totdat het tegenbewijs is geleverd en beoordeeld.