AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar bij handhaving gesloten verklaring
In deze zaak stond de bevoegdheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) centraal die een administratieve sanctie oplegde voor het handelen in strijd met een gesloten verklaring op de Burgemeester Bloemersweg te Rheden. De gemachtigde van betrokkene betwistte de bevoegdheid van de boa en verzocht om aanvullende stukken, waaronder het boa-getuigschrift, die niet werden verstrekt. Het hof oordeelde dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had gekregen om de beroepsgronden schriftelijk aan te vullen voorafgaand aan de hoorzitting, en dat de weigering van de officier van justitie om bepaalde stukken te verstrekken gerechtvaardigd was omdat deze niet tot het dossier behoorden.
Voorts stelde de gemachtigde dat de boa niet bevoegd was tot handhaving van de gesloten verklaring omdat deze was beëdigd in het domein Milieu, Welzijn en Infrastructuur en de beleidsregels geen expliciete bevoegdheid voor deze overtreding bevatten. Het hof verwees naar beleidsregels en een brief van het College van procureurs-generaal waarin werd bepaald dat boa's uit dit domein bevoegd zijn voor handhaving van bepaalde verkeersovertredingen in het kader van de openbare orde, waaronder het tegengaan van overlast en het verbeteren van leefbaarheid.
Het hof concludeerde dat de sanctie terecht was opgelegd door de boa en dat de bezwaren van de gemachtigde niet slaagden. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd en de administratieve sanctie van € 90,- blijft van kracht.
Uitspraak
WAHV 200.248.746
23 december 2019
CJIB 212041322
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 14 september 2018
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .
Het tussenarrest
De inhoud van het tussenarrest van 20 mei 2019 wordt hier overgenomen.
Het procesverloop
De meervoudige kamer heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling
1. De gemachtigde is van mening dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Hij stelt daartoe allereerst dat de officier van justitie bij de indiening van de voorlopige gronden in het beroepschrift is verzocht om, na ontvangst van de op de zaak betrekking hebbende stukken, een termijn te geven om de beroepsgronden nader aan te vullen. In reactie op dit verzoek heeft de officier van justitie bij brief van
23 januari 2018 meegedeeld dat hem de gelegenheid wordt geboden de gronden tijdens het horen aan te vullen. De gemachtigde heeft hierop bij brief van 15 februari 2018 laten weten daar niet mee in te stemmen en verzocht hem in de gelegenheid te stellen zijn gronden schriftelijkaan te vullen. In de brief van 26 februari 2018 is de gemachtigde door de officier van justitie gewezen op de mogelijkheid om de gronden schriftelijkin te dienen tot het moment van de geplande hoorzitting op 6 maart 2018. Nu de gemachtigde het recht heeft om de beroepsgronden schriftelijkaan te vullen, heeft de officier van justitie geen redelijke termijn tot het aanvullen van gronden geboden, aldus de gemachtigde.
2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift van 22 december 2017 heeft aangegeven zich te beperken tot een algemene ontkenning van de verweten gedraging, een algemene ontkenning van de bevoegdheid van de verbalisant, alsmede een algemene ontkenning van de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen. Daarnaast wordt de officier van justitie verzocht om, na ontvangst van in de brief nader omschreven informatie, een termijn te geven voor het aanleveren van nadere (aanvullende) beroepsgronden. Bij brief van 23 januari 2018 wordt de gemachtigde onder verwijzing naar zijn verzoek door de officier van justitie de gelegenheid geboden de gronden tijdens het horen aan te vullen. Onder toezending van de stukken die onderdeel uitmaken van het dossier wordt de gemachtigde meegedeeld dat hij daartoe de gelegenheid heeft op een hoorzitting die, blijkens het bijgevoegde antwoordformulier, fysiek of telefonisch op 5 of 6 maart 2018 zal plaatsvinden. Een redelijke uitleg van deze brief brengt mee dat de gemachtigde tot de hoorzitting, zijnde een alleszins redelijke termijn, in de gelegenheid is gesteld om de beroepsgronden voorafgaand aan de beslissing van de officier van justitie - schriftelijk - aan te vullen. Het hof verwerpt het verweer.
3. Met betrekking tot de beslissing van de officier van justitie heeft de gemachtigde verder aangevoerd dat deze beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd. De officier van justitie heeft naar aanleiding van de ontkenning van de bevoegdheid van de verbalisant in zijn beslissing op het administratief beroep ten onrechte verwezen naar irrelevante websites. Daarnaast heeft de officier van justitie in dat kader overwogen dat de betrokkene zich voor de betreffende stukken kan wenden tot de verbaliserende instantie, terwijl hij weet dat het opvragen van dergelijke stukken in het kader van een Wob-verzoek geen kans van slagen heeft, aldus de gemachtigde.
4. In reactie op het verzoek van de gemachtigde om documentatie in het beroepschrift ter onderbouwing van de bevoegdheid van de verbalisant, heeft de officier van justitie in zijn beslissing op het administratief beroep gesteld dat de gemachtigde onvoldoende heeft onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat de verbalisant niet bevoegd is. Hieruit volgt dat de officier van justitie van mening is dat de door de gemachtigde opgevraagde stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat deze geen deel behoeven uit te maken van het dossier en desgevraagd ook niet door de officier van justitie behoeven te worden verstrekt. De opmerking in de beslissing van de officier van justitie dat gemachtigde niets in de weg staat om, onder verwijzing naar de websites www.cjib.nl en www.politie.nl, de betreffende stukken op te vragen bij de verbaliserende instantie, beschouwt het hof in dit licht als een overweging ten overvloede op een overigens als adequaat te beschouwen reactie van de officier van justitie op het verzoek van de gemachtigde. Nu de officier van justitie afdoende gemotiveerd is ingegaan op hetgeen door de gemachtigde in de fase van het administratief beroep is ingebracht, verwerpt het hof het verweer.
5. De bezwaren van de gemachtigde richten zich verder tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een administratieve sanctie van € 90,- is opgelegd ter zake van “als bestuurder handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen”, welke gedraging zou zijn verricht op 17 oktober 2017 om 14:55 uur op de Burgemeester Bloemersweg te Rheden met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
6. De gemachtigde voert aan dat de bevoegdheid van de ambtenaar, volgens het zaakoverzicht een buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: boa), van meet af aan is betwist en dat hij in dat verband de officier van justitie heeft verzocht om de verstrekking van het boa-getuigschrift. Het getuigschrift is door hem niet te achterhalen. Een verzoek tot verstrekking van het getuigschrift of van de akte van beëdiging bij de Vereniging Natuurmonumenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) levert niets op, het getuigschrift is niet gepubliceerd op de door de officier van justitie genoemde websites en de officier van justitie weigert het getuigschrift te verstrekken. Daarnaast wijst de gemachtigde er nog op dat het proces-verbaal van beëdiging niet eerder dan ter zitting van het hof voorhanden was. Zonder daarover te beschikken, wordt het de gemachtigde - naar het hof begrijpt - onmogelijk gemaakt onderzoek te doen naar een eventueel gehanteerde mandaatconstructie. Onder die omstandigheden is er grond voor twijfel aan de bevoegdheid van de ambtenaar, zodat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven, aldus de gemachtigde.
7. De gemachtigde stelt zich kennelijk op het standpunt dat de akte van beëdiging, het proces-verbaal van beëdiging en het getuigschrift van de betrokken boa onderdeel dienen uit te maken van het dossier omdat de bevoegdheid van deze ambtenaar van meet af aan is betwist.
8. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Dit veronderstelt dat de stukken waarin de voor de sanctieoplegging relevante gegevens (moeten) zijn vermeld respectievelijk die de ambtenaar voor de oplegging van de sanctie heeft gebruikt onderdeel uitmaken van het dossier. Andere documenten hoeven slechts deel uit te maken van het dossier indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft.
9. Zoals in het arrest van het hof van heden, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797 is overwogen, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Datzelfde geldt indien slechts wordt gesteld dat stukken die betrekking hebben op de bevoegdheid van de ambtenaar niet kunnen worden achterhaald. Een en ander laat onverlet dat op grond van de Wob bij het orgaan dat daartoe gehouden is in meer algemene zin, vanuit het aan de Wob ten grondslag liggende beginsel dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie, stukken kunnen worden opgevraagd die zien op de bevoegdheid van (opsporings)ambtenaren. Het verweer faalt.
10. De gemachtigde voert verder aan dat de betrokken ambtenaar niet bevoegd is de vermeende gedraging te sanctioneren. De boa is blijkens de door de advocaat-generaal overgelegde akte van beëdiging beëdigd in het domein Milieu, Welzijn en Infrastructuur. De van toepassing zijnde Beleidsregels boa bevatten in de algemene overwegingen geen aanknopingspunten ter ondersteuning van de bevoegdheid van deze boa, aldus de gemachtigde. Daarnaast stelt de gemachtigde dat de in de Beleidsregel opgenomen Domeinlijst II. Milieu, Welzijn en Infrastructuur geen verwijzing bevat naar artikel 62 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) of het handhaven van geslotenverklaringen, zodat de bevoegdheid van de betrokken ambtenaar niet vaststaat. Tot slot heeft de gemachtigde ter zitting betoogd het niet opportuun te achten dat het handhaven van een geslotenverklaring geschiedt door een op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Vereniging Natuurmonumenten 2013 voor het domein Milieu, Welzijn en Infrastructuur beëdigde boa. Dat is zover verwijderd van de dagelijkse praktijk van deze ambtenaar dat een dergelijk optreden maatschappelijk gezien tot verwarring leidt en dat dient vermeden te worden.
11. De gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 62 vanPro het
RVV 1990 in samenhang met bord C1 van Bijlage 1 bij dat reglement. De sanctie is opgelegd door een boa die is beëdigd in het domein Milieu, Welzijn en Infrastructuur van de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar.
12. Op grond van het ten tijde van het opleggen van de sanctie geldende
artikel 3 vanPro het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Vereniging Natuur-monumenten 2013 van 13 september 2013 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, (nr. BOACAT2013/059), zijn de betreffende boa's bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II Milieu, Welzijn en Infrastructuur van bijlage A-1 van de geldende Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar. Deze Circulaire is per
1 juli 2015 vervallen en vervangen door de Beleidsregels boa (vgl. het arrest van dit hof van 19 april 2018, WAHV 200.196.891, ECLI:NL:GHARL:2018:3726).
13. Hoofdstuk 7.4 onder 22 van de ten tijde van de oplegging van de sanctie geldende Beleidsregels boa houdt - voor zover hier van belang - in dat de boa Milieu, Welzijn en Infrastructuur bevoegd is tot handhaving ter zake van:
“De in artikel 1 enPro 1a van de Wet op de economische delicten genoemde wetten en krachtens deze wetten geldende regelgeving. Daarbij is op 12 april 2011 door het College van Procureurs-generaal (brief met kenmerk Pag/B&S/15674) nader invulling gegeven in het kader van de gemeentelijke handhaving van de Wegenverkeerswet. Handhaving op negatie
C borden (RVV1990) is in relatie tot de openbare orde toegestaan.”
14. Door de hiervoor weergegeven verwijzing in Beleidsregels boa naar de brief van
12 april 2011 van het College van procureurs-generaal leidt het hof af dat de opsteller van die regels, de Minister van Veiligheid en Justitie, hetgeen in die brief staat ter zake van de nadere invulling van gemeentelijke handhaving van de regelgeving gesteld bij of krachtens de WVW1994, richtinggevend heeft geacht.
15. In de brief van 12 april 2011 van het College van procureurs-generaal is de volgende passage opgenomen:
“Volgens het College van procureurs-generaal zijn boa’s uit domein II uitsluitend bevoegd voor de WVW 1994 in de navolgende gevallen:
(….)
b. voor een beperkt aantal overtredingen met betrekking tot rijdend verkeer, te weten de artikelen 4, 5, 6, 10, 60 en 82 van de RVV en artikel 62 RVVPro voor zover dit
artikel betrekking heeft op de overtreding van C-borden en de handhaving hiervan
is ingestoken vanuit de openbare orde problematiek en niet de verkeersveiligheid;
(….).”
16. Het begrip 'openbare orde' is door het College van procureurs-generaal in dezelfde brief als volgt nader ingevuld:
“Het criterium openbare orde dient echter zo te worden verstaan, aldus het College, dat daaronder tevens valt het tegengaan van overlast, bijvoorbeeld door sluipverkeer, en het verbeteren van de leefbaarheid, bijvoorbeeld door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht) auto's, de zogenaamde milieuzones.”
17. Gelet op de door de advocaat-generaal overgelegde stukken moet het ervoor worden gehouden dat het besluit tot het onttrekken aan het openbaar verkeer van de Burgemeester Bloemersweg te Rheden strekt tot het verbeteren van de leefbaarheid, gelegen in het beschermen van natuur en landschap tegen gemotoriseerd verkeer.
18. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat sprake is van handhaving in relatie tot de openbare orde in de zin van de Beleidsregels boa. De ambtenaar is bevoegd om voor onderhavige gedraging een sanctie op te leggen. Dat de gemachtigde de handhaving van deze gedraging door de betrokken boa niet opportuun acht, doet aan het voorgaande niet af. Ook dit verweer faalt.
19. De bezwaren treffen geen doel, de beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd.
20. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Dit betekent dat het verzoek om proceskostenvergoeding moet worden afgewezen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Anjewierden, Van Schuijlenburg en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.