ECLI:NL:GHARL:2019:11186
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- C.G. ter Veer
- H.L. Wattel
- I.W. Levelt-Iseger
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens niet tijdig verzet tegen verstekvonnis
In deze civiele zaak stond centraal of appellant tijdig verzet had ingesteld tegen een verstekvonnis van 30 januari 2013. De rechtbank had appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzet niet binnen de vier weken na een daad van bekendheid was ingesteld.
Het hof bevestigt dat een daad van bekendheid vereist dat de veroordeelde een handeling verricht waaruit blijkt dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis. Appellant had het verstekvonnis besproken met zijn WSNP-bewindvoerder, die op de hoogte was van de inhoud. Daarmee was de verzetstermijn in ieder geval in mei 2017 verlopen, ruim voor het verzet van april 2018.
Appellant voerde aan dat op grond van artikel 6 EVRM Pro een nadere verzetstermijn had moeten worden gegund na beëindiging van zijn faillissement, maar ook dan was het verzet te laat. Het hof oordeelt dat appellant niet tijdig verzet heeft ingesteld en verklaart hem niet-ontvankelijk. Het principaal hoger beroep faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
De vorderingen van appellant worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het incidenteel hoger beroep wordt niet behandeld wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig verzet en het vonnis van de rechtbank is bekrachtigd.