Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen drie verlengingen van de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland. De moeder verzocht het hof de verlengingen te vernietigen en de ondertoezichtstelling te beëindigen of te verkorten.
Het hof oordeelde dat de eerste verlenging van 21 juni 2019 niet rechtmatig was verlengd vanwege schending van de goede procesorde, omdat de zorginstelling het verzoek te laat indiende en de moeder geen gelegenheid tot wederhoor kreeg. Deze verlenging werd daarom verworpen.
De tweede en derde verlengingen van 17 juli 2019 en 4 september 2019 werden door het hof bekrachtigd. Het hof vond dat de kinderrechter in de tweede verlenging mocht beslissen ondanks een wrakingsverzoek, gelet op de belangen van het kind en de goede procesorde. De derde verlenging was eveneens rechtmatig ondanks het ontbreken van een inhoudelijk debat, omdat de verlenging kort was en de belangen van het kind waren gewogen.
Het hof wees het verzoek van de moeder af om de ondertoezichtstelling te beëindigen of te verkorten en wees het verzoek om de oma als belanghebbende aan te merken af, omdat de ondertoezichtstelling niet rechtstreeks haar rechten raakte.
Uitkomst: Het hof verwierp het hoger beroep tegen de eerste verlenging en bekrachtigde de tweede en derde verlengingen van de ondertoezichtstelling.