Verzoekers hebben wrakingsverzoeken ingediend tegen mr. J.J. Beswerda en mr. E. de Witt, raadsheren in WAHV-zaken, stellende dat sprake zou zijn van vooringenomenheid vanwege een beleidslijn en de inhoud van oproepingsbrieven.
De wrakingskamer beoordeelde of er sprake was van feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing vormen voor het ontbreken van onpartijdigheid. De kamer stelde vast dat de aangevoerde gronden geen betrekking hadden op de raadsheren die de zaken behandelden of onvoldoende waren onderbouwd.
De conclusie van de Procureur-Generaal over een onjuiste rechtstoepassing bood geen aanknopingspunten voor vooringenomenheid. Ook het standpunt dat de raadsheren de beleidslijn zouden blijven volgen, werd niet aannemelijk gemaakt.
De wrakingskamer benadrukte dat wraking niet kan worden gebruikt als verkapt middel tegen onwelgevallige procesbeslissingen. Hoewel de oproepingsbrief inhoudelijk onvoldoende genuanceerd was, leidde dit niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek.
De wrakingsverzoeken werden daarom afgewezen en de beslissing werd in het openbaar uitgesproken en ondertekend op 31 december 2019.