ECLI:NL:GHARL:2019:11334
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen in opiumwetzaak
In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland. De veroordeelde was eerder door het hof veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet.
De advocaat-generaal had een vordering ingediend tot vaststelling en betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 72.981,94. Tijdens de terechtzitting heeft het hof deze vordering onderzocht en tevens de standpunten van de veroordeelde en zijn raadsman gehoord.
Het hof heeft vastgesteld dat uit het strafdossier en de behandeling van de vordering niet is gebleken dat de veroordeelde financieel voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde handelen. Daarom is de vordering tot ontneming afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht door de vordering tot betaling aan de staat af te wijzen.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is afgewezen wegens gebrek aan bewijs van financieel voordeel.