Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verder te noemen: [verzoeker1] ,
[D]en
[E],
[F],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 februari 2019 uitspraak gedaan over een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking waarbij twee bewindvoerders zijn ontslagen en een nieuwe bewindvoerder is benoemd. De verzoekers, de ontslagen bewindvoerders, wilden de schorsing om hoger beroep te kunnen instellen tegen een vonnis van de rechtbank dat de vordering tot vernietiging van het testament van de moeder van de betrokkene had afgewezen.
De rechtbank had de verzoekers ontslagen als bewindvoerders en een nieuwe bewindvoerder benoemd, met onmiddellijke uitvoerbaarheid. Het hof overwoog dat de hogere rechter de werking van een beschikking kan schorsen bij hoger beroep, maar dat daarvoor belang en andere voorwaarden gelden. De verzoekers stelden dat schorsing nodig was om de appeltermijn veilig te stellen en omdat de nieuwe bewindvoerder geen hoger beroep wilde instellen.
Het hof oordeelde dat het verschil van mening tussen de verzoekers en de nieuwe bewindvoerder over het belang van hoger beroep niet voldoende is om schorsing te rechtvaardigen. De nieuwe bewindvoerder had een belangenafweging gemaakt en de verzoekers hadden onvoldoende onderbouwd dat zij hun taak niet naar behoren vervult. Ook was er geen sprake van een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden beschikking.
De inhoudelijke geschillen over het ontslag van de verzoekers als bewindvoerders behoorden tot de hoofdzaak en konden niet in het kader van het schorsingsverzoek worden beoordeeld. Het hof concludeerde dat het belang bij tenuitvoerlegging zwaarder woog dan het belang bij behoud van de oude situatie en wees het verzoek tot schorsing af.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het ontslag van de bewindvoerders wordt afgewezen.