Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank waarin het gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen is gewijzigd in eenhoofdig gezag voor de vader. De ouders zijn sinds 2010 uit elkaar en er is sprake geweest van langdurige strijd en onrust, met ernstige zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder, wat leidde tot ondertoezichtstelling en plaatsing van de kinderen bij de vader.
In hoger beroep heeft de moeder het eenhoofdig gezag betwist, maar het hof constateert dat de situatie van de moeder aanzienlijk is verbeterd en dat er positieve ontwikkelingen zijn in de communicatie tussen ouders, mede vastgelegd in een ouderschapsplan. Desondanks blijft het belang van de kinderen voorop staan, waarbij het hof oordeelt dat de rust en stabiliteit die nu bij de vader heerst niet verstoord mogen worden.
Het hof baseert zijn oordeel op artikel 1:253n lid 1 sub b BW, waarbij het noodzakelijk is het gezag te wijzigen in het belang van de kinderen. Gezien het kwetsbare verleden van de kinderen en het risico dat gezamenlijke gezagsuitoefening de strijd tussen ouders doet herleven, handhaaft het hof het eenhoofdig gezag van de vader. De beschikking van de rechtbank wordt dan ook bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag van de vader om de rust en stabiliteit voor de kinderen te waarborgen.