ECLI:NL:GHARL:2019:2344

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 maart 2019
Publicatiedatum
18 maart 2019
Zaaknummer
200.249.592/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late indiening in ondertoezichtstelling zaak

De moeder was in eerste aanleg betrokken bij een zaak over de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van haar drie minderjarige kinderen. De rechtbank had op 31 juli 2018 telefonisch de beslissing genomen deze maatregelen te verlengen tot 18 augustus 2019. De moeder stelde hiertegen hoger beroep in, maar dit werd pas op 9 november 2018 ingediend, terwijl de beroepstermijn drie maanden bedroeg vanaf de dag van uitspraak.

Het hof stelde vast dat de telefonische mededeling van de uitspraak op 31 juli 2018 als openbaarmaking van de beslissing geldt, waardoor de beroepstermijn op die datum begon te lopen. De moeder diende het beroepschrift dus te laat in. De moeder en haar advocaat voerden aan dat zij onjuist geïnformeerd waren over het aanvangsmoment van de beroepstermijn, maar het hof oordeelde dat een dergelijke onjuiste mededeling geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert.

Daarom werd de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en werden de grieven inhoudelijk niet behandeld. De beschikking van de rechtbank tot verlenging van de ondertoezichtstelling bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk wegens te late indiening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.249.592/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/123600 / JE RK 18-334)
beschikking van 14 maart 2019
inzake
[verzoekster] ,
verblijvende de te [A] (Duitsland),
woonplaats kiezende te Emmen,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.C.N. Cats te Emmen,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,
kantoorhoudende te Assen,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3],
wonende op een bij het hof bekend adres,
advocaat mr. E. Henkelman te Groningen,
de pleegouders van [de minderjarige1],
wonende op een bij het hof bekend adres.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de schriftelijke uitwerking van de door rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen op 31 juli 2018 telefonisch aan partijen medegedeelde beslissing, opgenomen in de beschikking van de rechtbank onder voormeld zaaknummer, gedateerd 10 augustus 2018. Die beslissing hield, voor zover hier van belang, in dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen kinderen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is verlengd tot 18 augustus 2019.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 november 2018;
- het verweerschrift van de GI met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Henkelman van 10 december 2018;
- een journaalbericht van mr. Henkelman van 29 januari 2019;
- een journaalbericht van mr. Henkelman van 1 februari 2019 met productie(s);
- een bericht van [B] namens [C] (Pleegzorg) van 12 februari 2019.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 15 februari 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, F.P.M. Petit namens de GI, de pleegvader van [de minderjarige1] , de pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bijgestaan door mr. Henkelman en verder zijn als informant toegelaten [B] en [D] , pleegzorgmedewerkers van [C] (pleegzorg).

3.Feiten

Uit de moeder zijn geboren zes kinderen, waaronder:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 (hierna: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2009 (hierna: [de minderjarige2] );
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2012 (hierna: [de minderjarige3] );
over wie de moeder alleen het ouderlijk gezag uitoefent.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] af te wijzen.
4.2
De GI verzoekt het hof de beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Alvorens de grieven inhoudelijk te beoordelen dient het hof eerst ambtshalve vast te stellen of de moeder ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep. In dat kader dient het hof te toetsen of het hoger beroep tijdig, binnen de beroepstermijn is ingesteld. Gelet op artikel 358 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedraagt de beroepstermijn voor de in de procedure verschenen belanghebbenden drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak. Vast staat dat de moeder in de procedure bij de rechtbank is verschenen.
5.2
Onder 'de dag van de uitspraak' wordt verstaan het moment waarop de beslissing openbaar wordt gemaakt. De dag van openbaarmaking bepaalt het moment waarop de beslissing haar werking verkrijgt en de termijn voor het hoger beroep daartegen aanvangt. De beschikking is de uitwerking van die beslissing maar zonder deze schriftelijke uitwerking kan er dus wel al een uitspraak zijn (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv. p. 403).
5.3
Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting van de rechtbank op
31 juli 2018 - dat overigens op het voorblad abusievelijk is gedateerd 19 juli 2018 - blijkt onder meer dat aan het einde van die zitting door de rechtbank de behandeling is gesloten en is medegedeeld dat de rechters in raadkamer gaan overleggen en beslissen, zo spoedig mogelijk uitsluitsel wordt gegeven, er snel duidelijkheid moet komen en dat in ieder geval voor 18 augustus 2018 de beschikking zal zijn ontvangen.
Uit de stukken blijkt dat de rechtbank de beslissing op 31 juli 2018 telefonisch aan betrokkenen bekend heeft gemaakt. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de moeder desgevraagd bevestigd dat de telefonische mededeling toen inderdaad is gedaan. Naar het oordeel van het hof was hierdoor op 31 juli 2018 sprake van een openbaar gemaakte beslissing van de rechtbank en dus van een uitspraak in de zin van artikel 358 lid 2 Rv Pro. De beroepstermijn is voor de moeder daarom op 31 juli 2018 gaan lopen en het onderhavige hoger beroep had dus uiterlijk op 31 oktober 2018 moeten zijn ingediend. Het beroepschrift van de moeder is echter eerst op 9 november 2018 ingediend en daarom is het hoger beroep te laat ingesteld.
5.4
Volgens vaste rechtspraak dient in het belang van een goede rechtspleging over het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep aanvangt (en eindigt) duidelijkheid te bestaan, wat meebrengt dat aan de beroepstermijn strikt de hand wordt gehouden (zie bijvoorbeeld HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489). Dit geldt ook wanneer de uitspraakdatum na afloop van de mondelinge behandeling ten onrechte niet precies is medegedeeld (HR 13 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0943, NJ 1990/495). Een uitzondering is slechts gerechtvaardigd als degene die hoger beroep instelt, als gevolg van een door (de griffie van) de rechtbank begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en dat de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim van de rechtbank pas na afloop van de beroepstermijn is toegezonden of verstrekt (eveneens HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489).
Een dergelijke uitzondering doet zich hier niet voor. De advocaat van de moeder heeft in dit verband ter zitting van het hof verklaard in de strekking dat zij na de telefonische uitspraak van de rechtbank op vakantie is gegaan en nadien is afgegaan op de overwegingen van de rechtbank in de hiervoor bedoelde beschikking, gedateerd 10 augustus 2018. Deze overwegingen houden zakelijk weergegeven in dat de beroepstermijn geen aanvang neemt voordat de moeder en haar advocaat de beschikking hebben over de motivering van de beslissing. Een onjuiste mededeling levert echter ingevolge vaste jurisprudentie niet een verschoonbare termijnoverschrijding op. Overigens staat vast dat de advocaat van de moeder de op schrift gestelde uitspraak van 31 juli 2018ver voor 31 oktober 2018 ontvangen heeft. De advocaat van de moeder had ook na 10 augustus 2018 nog ruim de gelegenheid om binnen de lopende beroepstermijn - dus tot uiterlijk 31 oktober 2018 - hoger beroep in te stellen.
5.5
Het voorgaande betekent dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep. Een beoordeling van de grieven blijft daarom achterwege.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, M.P. den Hollander en G.J. Baken, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 14 maart 2019 in het openbaar uitgesproken.