Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[Geïntimeerde 1] ,
[Geïntimeerde 2],
[Geïntimeerde 3],
[Geïntimeerde 4],
[Geïntimeerde 5] ,
[Geïntimeerde 6] ,
[Geïntimeerde 7] ,
[Geïntimeerde 8] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
200.209.173(bodemzaak):
3.De vaststaande feiten in beide zaken
4.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg in de bodemzaak
5.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg in kort geding
6.De motivering van de beslissing in hoger beroep in de bodemzaak
Daartoe moet eerst komen vast te staan dat de percelen A en C geen behoorlijke toegang hebben tot de openbare weg. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om het antwoord op de vraag of bij het ontbreken van de noodweg een behoorlijke exploitatie van het ingesloten erf bij een normale bestemming, gelet op de aard van dat erf, onmogelijk is, waarbij niet ter zake doet wat de ‘normale exploitatie’ van een gemiddeld (vergelijkbaar) bedrijf eist.
7.De motivering van de beslissing in hoger beroep in kort geding
de inritten worden enkel aangewend om te komen van de [Adres] naar de gebouwen op de percelen A en C en om te gaan van de betreffende gebouwen naar de [Adres] ;
er worden geen vrachtwagencombinaties, auto’s en/of ander materieel op de inritten geparkeerd of gestald;
er wordt geen gebruik gemaakt van de op perceel B gelegen parkeerplaatsen.”
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [Appellant] worden veroordeeld in de proceskosten van de procedure in hoger beroep in kort geding, die aan de zijde van [Geïntimeerden] zijn gemaakt. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerden] worden begroot op € 313,- aan verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief II).