Conclusie
Eisers zijn eigenaar van percelen A en C, verweerder van het tussengelegen perceel B. In geschil is of eisers en hun huurders, gebruikers en bezoekers ten behoeve van de bedrijfspanden op percelen A en C gebruik mogen maken van de in- en uitritten op perceel B.
1.Feiten en procesverloop
2.Aanpak behandeling principaal en incidenteel cassatieberoep
3.Juridisch kader
Noodweg
Hoogenboom/Van Seggelen) een rechtstreeks uit de wet voortvloeiende, de inhoud van het eigendomsrecht van de eigenaren van naburige erven nader bepalende, bevoegdheid. Dit brengt mee “dat ook een rechtsopvolger onder bijzondere titel van de eigenaar van een met een noodweg bezwaard erf, behoudens het bepaalde in art. 5:57 leden Pro 3 [22] en 4 [23] BW, gebonden is aan de met inachtneming van lid 3 van art. 57 gedane Pro aanwijzing van de noodweg en dus die noodweg heeft te dulden, ook indien hij met het bestaan van die noodweg niet bekend was en van die aanwijzing geen inschrijving is gedaan in de openbare registers.” [24] Bartels constateert dat door de vaststelling van de uitweg een rechtstoestand ontstaat die lijkt op een erfdienstbaarheid maar die daar wel van moet worden onderscheiden. Een verschil is dat het recht van uitweg afhankelijk blijft van de plaatselijke gesteldheid van de erven. [25] Dit komt tot uitdrukking in lid 5 van art. 5:57 BW Pro dat luidt: “Een noodweg vervalt, hoelang hij ook heeft bestaan, zodra hij niet meer nodig is.” [26]
Sint Willebrordus Stichting) geoordeeld dat voor aanwijzing van een noodweg in het algemeen beslissend is of bij het ontbreken daarvan een behoorlijke exploitatie van het ingesloten erf bij een normale bestemming, van de aard als het erf in het gegeven geval heeft, niet mogelijk is. Uitgaande van de bestemming die een erf heeft, dient dan te worden onderzocht of een behoorlijke exploitatie van het erf overeenkomstig die bestemming zonder de noodweg mogelijk is. [32]
het eerstin aanmerking komt, houdt in dat het aspect dat het erf ten gevolge van een rechtshandeling van de openbare weg afgesloten is geraakt, weliswaar een belangrijke rol dient te spelen in de vereiste belangenafweging, maar dat dit aspect op zichzelf niet meteen beslissend is. [38]
Verdegaal/Warmerdam). [39] De eigenaar van het door de rechter met een noodweg belaste erf had in reconventie gevorderd dat aan de eigenaar van het ingesloten erf voorwaarden zouden worden opgelegd. [40] In cassatie werd onder meer opgekomen tegen het oordeel van het hof dat in de wet geen basis is te vinden voor het stellen van voorwaarden als door Verdegaal c.s. in casu gevorderd.
Grootscholten/Van der Stokvan 23 januari 1998 geeft een voorbeeld van opgelegde voorwaarden: een pad mocht door uitoefening van het recht van nood- of uitweg slechts worden gebruikt tussen 7.00 en 22.00 uur, mits geen gebruik werd gemaakt van voertuigen van meer dan 8 meter lang en 2,50 meter breed. [42]
Samander/Aladingeoordeeld waaruit de waardevermindering van de voor de noodweg benodigde grond bestaat. [50] In die zaak was door het hof tot uitgangspunt genomen dat onder de verschuldigde schadevergoeding is begrepen hetgeen de grond waarover de noodweg loopt, bij verkoop aan derden had kunnen opbrengen.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
beperkingvan het gebruik dat van de door de rechter aangewezen noodweg mag worden gemaakt. Het subonderdeel klaagt vervolgens, zakelijk weergegeven, dat nu de in rov. 6.12 onder ii) en iii) gestelde voorwaarden niet anders kunnen worden verstaan dan als
verruimendevoorwaarden [56] , het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 5:57 BW Pro (mede) gezien in het licht van art. 5:1 lid 2 BW Pro en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Samander/Aladin, toev. A-G) geformuleerde maatstaf voor het vaststellen van de in art. 5:57 lid 1 BW Pro vermelde schadevergoeding heeft miskend, te weten het verschil tussen de waarde van het erf zonder belasting met de noodweg en de waarde van dit erf mèt de daarover lopende noodweg. Het gaat er volgens het subonderdeel dus niet om of het de rechter “redelijk en billijk” voorkomt om een “vergoeding voor het gebruik van de weg’’ te bepalen op een bepaald bedrag, maar (dus) om het antwoord op de vraag wat de op die waardevermindering te begroten schade is.
subonderdeel 2.2, zonder nadere, maar ontbrekende, motivering niet inzichtelijk waarom het verschil tussen de waarde van perceel B zonder belasting met de noodweg en de waarde van dit perceel mèt de daarover lopende noodweg zou uitkomen op een bedrag van € 20.000. Deze klacht wordt in subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2 uitgewerkt en toegelicht.
Samander/Aladin, uit het verschil tussen de waarde van de grond zonder belasting met de uitweg en de waarde van de grond met de daarover lopende uitweg. De waardevermindering kan dus niet zonder meer worden gesteld op hetgeen die grond zonder een dergelijke belasting bij verkoop aan derden zou kunnen opbrengen.
De waardevermindering van de grond waarover de uitweg loopt bestaat in het verschil tussen de waarde van de grond zonder belasting met de uitweg en de waarde van de grond met de daarover lopende uitweg.".
Samander/Aladinhier niet van toepassing is, hebben zij als volgt gereageerd:
Samander/Aladin-arrest de op de waardevermindering te begroten schade is en heeft het hof aansluiting gezocht bij het bedrag dat [eisers] bereid waren om te betalen voor het vestigen van een erfdienstbaarheid, en dat [verweerder] bereid was te accepteren voor het persoonlijk gebruik van de in- en uitritten door [eisers] Gelet op het ontbreken van aanknopingspunten in het partijdebat om invulling te geven aan de maatstaf uit het
Samander/Aladin-arrest, heeft het hof m.i. in dit geval een geoorloofde schatting gemaakt van de schade. Het hof heeft hierbij oog gehad voor het feit dat het gebruik van de in- en uitritten als noodweg enerzijds minder ver strekt dan een ten behoeve van [eisers] gevestigde erfdienstbaarheid, maar anderzijds verder strekt dan het door [verweerder] voorgestelde persoonlijke gebruiksrecht dat, anders dan een noodweg, niet ten behoeve van opvolgende eigenaren werking heeft (rov. 6.17).
Samander/Aladin-arrest echter geen (essentiële) rol omdat de waardevermindering niet zonder meer kan worden gesteld op hetgeen die grond zonder een dergelijke belasting bij verkoop aan derden zou kunnen opbrengen maar bestaat uit het verschil tussen de waarde van de grond zonder belasting met de uitweg en de waarde van de grond met de daarover lopende uitweg. Nu de in het subonderdeel vermelde stellingen geen berekening betreffen van de waardevermindering van de grond waarover de uitweg loopt, zijn het dus geen essentiële stellingen. [81] Subonderdeel 2.3 kan dan ook niet tot cassatie leiden.
5.Bespreking van het principale cassatiemiddel
8. De beslissing in de bodemzaak
Leutscher/Van Tuijn) [106] en van 16 december 1977 (
Hiep/Amro-bank). [107]
Leutscher/Van Tuijnbetrof de hoofdveroordeling een door de feitenrechter aangenomen contractuele verplichting tot het doen vaststellen van een balans, welke verplichting deel uitmaakte van een meer omvattende verbintenis uit overeenkomst. De veroordeelde (Leutscher) was bij de uitvoering echter vrijwel geheel afhankelijk van de medewerking van een bij de overeenkomst genoemde derde, te weten een onafhankelijk accountskantoor. [108] Aan de veroordeling tot nakoming was een dwangsom verbonden. Dienaangaande overwoog de Hoge Raad als volgt:
Hiep/Amro-bank [109] vorderde de Amro-bank ontruiming van een haar toebehorend gebouwencomplex dat was gekraakt. De krakers hebben blijkens het arrest van het hof alles in het werk gesteld om hun anonimiteit te bewaren en na intensieve nasporing is de bank de identiteit van een kraker, genaamd Hiep, te weten gekomen. De bank richtte vervolgens haar vordering tot bevel tot ontruiming tegen kraker Hiep. Vanwege de nauwe samenwerking bij het kraken van de panden, mocht blijkens het arrest van de Hoge Raad Hiep worden bevolen de panden te ontruimen met eenieder die zich ten tijde van de executie van het bevel daar ophoudt. Voorts oordeelde de Hoge Raad dat de mogelijkheid dat Hiep buiten staat zal blijken bij zijn ontruiming van de percelen ook het heengaan van de zijnen te bewerkstelligen, het hof niet behoefde te weerhouden aan zijn veroordelingen een dwangsom te verbinden.
Leutscher/Van Tuijnen
Hiep/Amro-bankerkend dat de veroordeelde tot op zekere hoogte verantwoordelijk is voor het doen en laten van de derde: respectievelijk in die zaken de accountant en de medekrakers. [110]
Leutscher/Van Tuijn-arrest uitdrukkelijk gewezen op de omstandigheid dat wanneer het aan anderen dan de veroordeelde zou liggen dat aan de veroordeling niet zou worden voldaan, de veroordeelde zich tegen executie van de dwangsom zou kunnen verweren met een beroep op onmogelijkheid (zie thans art. 611d Rv). Dit betekent dus dat als op grond van een weigerachtige/nalatige houding van de ander(en) de verplichting niet kan worden nagekomen, de veroordeelde zich ingevolge art. 611d Rv tot de rechter die de dwangsom heeft opgelegd kan wenden met een verzoek tot opheffing, schorsing of vermindering van de te verbeuren dwangsom. [111]
NJ1987/909 (Van der Graaf/Agio))
NJ2008/309 (
Pet Center/Schouten))”
te gaan[cursivering, advocaat] van de [a-straat] naar de bedrijfsverzamelcomplexen. [117] Volgens het onderdeel heeft [verweerder] in eerste aanleg immers (onder andere) gevorderd “dat de in- en uitritten op perceel B enkel [kunnen] worden aangewend om te komen van de [a-straat] naar de bedrijfsverzamelcomplexen op de percelen A en C respectievelijk te gaan van de betreffende complexen naar de [a-straat] ” [118] , welke vordering in rov. 5.8 onder (i) van het vonnis door de rechtbank is toegewezen en waartegen [verweerder] – voor het geval de (aanwijzing van de) noodweg bij het hof stand zou houden – in hoger beroep geen grief heeft gericht. Tegen deze achtergrond is volgens het onderdeel ook de weergave van de voorwaardelijke reconventionele vordering van [verweerder] in eerste aanleg, in rov. 4.2 onder (i) van het arrest, onbegrijpelijk.
NJ1995/564 m.nt. W.M. Kleijn) en zijn oordeel (ook) om die reden blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
en uitrittenten behoeve van het bereiken van de bedrijfspanden (…)” (curs. A-G). In het dictum staat opgenomen dat het hof “voor recht [verklaart] dat deze voorwaarden voor gebruik van de hiervoor vermelde in-
en uitrittenook gelden voor de partijen – huurders, gebruikers en bezoekers – aan wie [eisers] het recht van gebruik van de (bedrijfsgebouwen op de) aan [eisers] toebehorende percelen A en C en het gebruik van de in-/uitritten op het aan [verweerder] toebehorende perceel B heeft toegekend respectievelijk toekent;” (curs. A-G).