ECLI:NL:GHARL:2019:2493

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 maart 2019
Publicatiedatum
20 maart 2019
Zaaknummer
200.252.721
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 RvArt. 222 RvArt. 353 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging van verknochte civiele zaken ter voorkoming van uiteenlopende beslissingen

In deze civiele procedure heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een incidentele vordering tot voeging van twee zaken tussen verschillende partijen toegewezen. De zaken betreffen een appellant met een varkensvermeerderingsbedrijf en een geïntimeerde die gelten leverde, alsmede een derde partij, een dierenartsenpraktijk die medische zorg verleende aan de dieren. De rechtbank had eerder beide zaken afzonderlijk behandeld en de vorderingen van appellant grotendeels afgewezen, terwijl hij werd veroordeeld tot betaling van openstaande facturen.

De appellant had verzocht om de hoofdzaak te verwijzen naar de rechter die het hoger beroep in de andere zaak behandelt, dan wel de zaken te voegen op grond van artikel 222 Rv Pro. Het hof oordeelde dat de feitencomplexen deels overeenkomen en dat er sprake is van verknochte zaken, ondanks dat de juridische aspecten niet volledig gelijk zijn. Om het procesverloop beter op elkaar af te stemmen en het risico op uiteenlopende beslissingen te beperken, werd de voeging toegewezen.

Het hof bepaalde dat de zaken met zaaknummers 200.252.721 en 200.245.536 worden gevoegd en stelde de beslissing over de kosten van het incident uit tot het eindarrest. Tevens werd de hoofdzaak verwezen naar de roldatum voor memorie van grieven op 26 maart 2019, waarbij de termijn daarvoor is doorlopen in afwachting van de beslissing over het incident.

Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vordering tot voeging van de zaken toe en verwijst de hoofdzaak naar de roldatum voor memorie van grieven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.252.721
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, C/16/443237)
arrest van 19 maart 2019
in het incident in de zaak van
[Appellant],
wonende te [Woonplaats] ,
appellant, tevens eiser in het incident,
in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,
hierna: [Appellant] ,
advocaat: mr. K.M. Löwik-Felt,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Geïntimeerde],
gevestigd te [Vestigingsplaats] ,
geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna: [Geïntimeerde] ,
advocaat: mr. H.M. van Eerten.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 oktober 2017, 2 mei 2018 en 25 juli 2018.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 oktober 2018,
- de incidentele conclusie tot verwijzing/voeging ex artikel 220/222 Rv jo. 353 lid 1 Rv,
- de antwoordconclusie in het incident (tot voeging).
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.

2.De motivering van de beslissing in het incident

2.1
In eerste aanleg heeft de rechtbank in het vonnis van 2 mei 2018 deze zaak gevoegd met een procedure tussen [Appellant] en [Dierenartsenpraktijk] (hierna: [Dierenartsenpraktijk] ). In het vonnis van 2 mei 2018 heeft de rechtbank over beide zaken geoordeeld. Ten aanzien van de procedure tussen [Appellant] en [Dierenartsenpraktijk] is dat het eindvonnis, waartegen [Appellant] hoger beroep heeft ingesteld. Die zaak is bij dit hof bekend onder zaaknummer 200.245.536.
In de onderhavige zaak is op 25 juli 2018 een eindvonnis gewezen. [Appellant] heeft in het incident gevorderd de hoofdzaak ex artikel 220 Rv Pro te verwijzen naar de rechter die het hoger beroep in de zaak met nummer 200.245.536 behandelt, althans de hoofdzaak te voegen ex artikel 222 Rv Pro met de zaak met nummer 200.245.536.
2.2
In deze zaak en in de zaak met nummer 200.245.536 gaat het samengevat om het volgende. [Appellant] heeft een varkensvermeerderingsbedrijf. [Geïntimeerde] heeft gelten (vrouwtjesvarkens die nog geen biggen hebben gekregen) geleverd aan [Appellant] . [Dierenartsenpraktijk] is een dierenartsenpraktijk. [Dierenartsenpraktijk] heeft zowel bij [Appellant] als bij [Geïntimeerde] werkzaamheden verricht. [Appellant] heeft gesteld schade te hebben geleden doordat [Geïntimeerde] hem ondeugdelijke dieren heeft geleverd en doordat [Dierenartsenpraktijk] tekort is geschoten in de medische zorg van die dieren. De rechtbank heeft de vorderingen van [Appellant] in de afzonderlijke zaken tot (onder meer) vergoeding van de gestelde schade door [Geïntimeerde] en [Dierenartsenpraktijk] afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank [Appellant] veroordeeld aan [Geïntimeerde] en [Dierenartsenpraktijk] bedragen te betalen ten aanzien van (onder meer) onbetaald gelaten facturen.
2.3
Uit artikel 222 lid 1 Rv Pro volgt onder meer dat in geval voor dezelfde rechter tussen verschillende partijen verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan voeging kan worden gevorderd. In het onderhavige geval stemt het feitencomplex in beide zaken deels overeen. De juridische aspecten in beide zaken zijn weliswaar niet gelijk, maar zij vertonen wel een dusdanige samenhang dat sprake is van verknochte zaken. Om het procesverloop in beide zaken beter op elkaar te kunnen afstemmen en gelet op het belang uiteenlopende beslissingen zoveel mogelijk te vermijden, zal de incidentele vordering worden toegewezen.

3.De slotsom

3.1
Het hof zal de zaken met zaaknummers 200.252.721 en 200.245.536 voegen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
3.2
De hoofdzaak staat reeds op de rol van 26 maart 2019 voor memorie van grieven; de termijn daarvoor is hangende dit incident doorgelopen. Voor de duidelijkheid zal het hof de hoofdzaak daarom verwijzen naar die roldatum voor memorie van grieven. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof, recht doende:
in het incident:
voegt de zaken met zaaknummers 200.252.721 en 200.245.536;
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de roldatum
26 maart 2019voor memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, F.J.P. Lock en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.