ECLI:NL:GHARL:2019:2665

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2019
Publicatiedatum
26 maart 2019
Zaaknummer
200.197.715/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepasselijkheid verplichtstellingsbesluit bedrijfstakpensioenfonds Bakker Bart

In deze civiele procedure stond centraal of de vennootschap onder firma en haar vennoten, exploitanten van Bakker Bart filialen, onder het verplichtstellingsbesluit van het bedrijfstakpensioenfonds (bpf) Bakkersbedrijf vielen. Het hof nam het tussenarrest van september 2018 over, waarin appellanten de gelegenheid kregen nieuwe omzetberekeningen over te leggen.

Appellanten stelden dat zij vanaf 2014 meer dan 50% van hun omzet behaalden uit niet-bakkersproducten. Deze berekeningen werden door bpf Bakkersbedrijf gecontroleerd en niet betwist. Het hof oordeelde dat appellanten daarmee aannemelijk hadden gemaakt dat zij onder de uitzondering van het verplichtstellingsbesluit vielen en dus niet langer als bakkersbedrijf konden worden aangemerkt.

Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de door appellanten gevorderde verklaring voor recht toe dat zij vanaf 1 februari 2014 niet onder het verplichtstellingsbesluit vallen. Tevens wees het hof de reconventionele vordering van bpf Bakkersbedrijf af en veroordeelde deze in de proceskosten van beide instanties.

De kosten aan de zijde van appellanten werden vastgesteld en de gevorderde rente over proceskosten en nakosten toegewezen. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Appellanten vallen vanaf 1 februari 2014 niet onder het verplichtstellingsbesluit en bpf Bakkersbedrijf kan geen premienota's meer opleggen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.197.715/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4444689 CV EXPL 15-12124)
arrest van 26 maart 2019
in de zaak van

1.de vennootschap onder firma VOF [appellanten] ,

zaakdoende te Den Haag, alsmede haar vennoten

2. [appellant] ,

wonende te [A] ,

3. [appellante] ,

wonende te [A] ,
appellanten,
in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen:
[appellanten](in enkelvoud),
advocaat: mr. D.I.M.E. Hermans, kantoorhoudend te 's-Hertogenbosch,
tegen
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna:
bpf Bakkersbedrijf,
advocaat: mr. E. Lutjens, kantoorhoudend te Amsterdam.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 september 2018 hier over.
1.2
In dit tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen om [appellanten] in de gelegenheid te stellen nieuwe berekeningen over te leggen van de omzet in bakkersproducten en andere producten van beide filialen en van alle jaren waarvoor zij bewijs wenst te leveren dat zij niet langer onder het verplichtstellingsbesluit valt. Het hof heeft daarbij aangegeven dat [appellanten] bpf Bakkersbedrijf in staat moet stellen om de onderliggende stukken van die berekeningen te controleren.
1.3
[appellanten] heeft op 27 november 2018 een akte uitlating bewijs genomen, waarbij producties zijn overgelegd.
1.4
Bpf Bakkersbedrijf heeft op 5 februari 2019 een antwoordakte genomen.
1.5
Vervolgens hebben partijen op19 februari 2019 het hof verzocht opnieuw arrest te wijzen, onder overlegging van de (aanvullende) procesdossiers.

2.De verdere beoordeling

2.1
Lourens- Van Vliet heeft bij akte gesteld dat uit de door haar overgelegde berekeningen blijkt dat zij in haar beide filialen vanaf 2014 steeds meer dan 50% van haar totale omzet heeft behaald uit niet-bakkersartikelen, namelijk
2014 51,4%
2015 51,2%
2016 55%
2017 56,4%
2018 57% (gerekend tot en met week 40).
2.2
[appellanten] heeft aangegeven dat zij bpf Bakkersbedrijf in staat heeft gesteld om onderzoek te doen naar en controle uit te oefenen op de administratie waarop zij haar berekeningen heeft gebaseerd.
2.3
Bpf Bakkersbedrijf heeft zich bij antwoordakte aan het oordeel van het hof gerefereerd of [appellanten] aan de bewijsopdracht heeft voldaan.
2.4
Het hof is van oordeel dat [appellanten] met de overgelegde berekeningen - waarvan niet betwist is dat die met de door het hof vereiste mate van nauwkeurigheid en zijn opgesteld en hun grondslag vinden in de boekhoudkundige bescheiden die bpf Bakkersbedrijf heeft kunnen controleren - aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf 2014 meer dan 50% van haar omzet heeft behaald met de verkoop van niet-bakkersproducten, zoals door het hof uitgelegd in het tussenarrest van 5 juni 2018. Daarmee valt [appellanten] onomstotelijk onder de uitzondering van artikel b onder 3 van het verplichtstellingsbesluit Bakkersbedrijf en dient zij niet langer als bakkersbedrijf in de zin van dat besluit te worden aangemerkt.
De slotsom
2.5
Grief 2 is per saldo terecht voorgedragen en het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, de door [appellanten] verzochte verklaring voor recht dat zij vanaf 1 februari 2014 niet langer onder het verplichtstellingsbesluit valt toewijzen als hierna volgt en de reconventionele vordering van bpf Bakkersbedrijf alsnog afwijzen. Het hof zal bpf Bakkersbedrijf in de kosten van de procedure in beide instanties veroordelen.
2.6
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:
- explootkosten € 82,63
- griffierecht
€ 109,00
subtotaal verschotten € 191,63
- salaris gemachtigde
€ 375,00(2, 5 punten x tarief € 150,-)
Totaal € 566,63
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:
- explootkosten € 77,75
- griffierecht
€ 718,00
subtotaal verschotten € 795,75
- salaris advocaat
€ 3.222,00(3 punten x tarief II)
Totaal € 4.017,75
2.7
Het hof zal ook de gevorderde rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen als hierna volgt.

3.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 4 mei 2016 en opnieuw rechtdoende
verklaart voor recht dat [appellanten] met ingang van 1 februari 2014 niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit bpf Bakkersbedrijf valt en dat bpf Bakkersbedrijf voor de periode nadien geen premienota’s meer kan opleggen;
veroordeelt bpf Bakkersbedrijf in de kosten van de procedure in beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 191,63 voor verschotten en op € 375,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 795,75 voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
deze proceskostenveroordeling te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval betaling binnen die termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn van veertien dagen;
veroordeelt bpf Bakkersbedrijf in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval bpf Bakkersbedrijf niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;
verklaart de in dit arrest opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, O.E. Mulder en J.A. Gimbrère en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op
26 maart 2019.