In deze civiele procedure stond centraal of de vennootschap onder firma en haar vennoten, exploitanten van Bakker Bart filialen, onder het verplichtstellingsbesluit van het bedrijfstakpensioenfonds (bpf) Bakkersbedrijf vielen. Het hof nam het tussenarrest van september 2018 over, waarin appellanten de gelegenheid kregen nieuwe omzetberekeningen over te leggen.
Appellanten stelden dat zij vanaf 2014 meer dan 50% van hun omzet behaalden uit niet-bakkersproducten. Deze berekeningen werden door bpf Bakkersbedrijf gecontroleerd en niet betwist. Het hof oordeelde dat appellanten daarmee aannemelijk hadden gemaakt dat zij onder de uitzondering van het verplichtstellingsbesluit vielen en dus niet langer als bakkersbedrijf konden worden aangemerkt.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de door appellanten gevorderde verklaring voor recht toe dat zij vanaf 1 februari 2014 niet onder het verplichtstellingsbesluit vallen. Tevens wees het hof de reconventionele vordering van bpf Bakkersbedrijf af en veroordeelde deze in de proceskosten van beide instanties.
De kosten aan de zijde van appellanten werden vastgesteld en de gevorderde rente over proceskosten en nakosten toegewezen. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.