Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De kantonrechter had het bewind over de goederen van de rechthebbende ambtshalve opgeheven wegens een onwerkbare situatie en het ontbreken van contact. De rechthebbende ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om een nieuwe bewindvoerder te benoemen.
Het hof oordeelde dat de noodzaak van het bewind nog steeds aanwezig is vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende, die niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen volledig waar te nemen. De opheffing van het bewind was slechts gebaseerd op de vastgelopen samenwerking en het gebrek aan bereikbaarheid.
Het hof bekrachtigde de opheffing van het bewind voor de periode van 15 mei 2018 tot aan de uitspraak, omdat het bewind feitelijk niet werd uitgevoerd. Tegelijkertijd stelde het hof het bewind opnieuw in en benoemde een nieuwe onafhankelijke bewindvoerder, die binnen drie maanden een beschrijving van de onder bewind gestelde goederen moet opmaken.
De nieuwe bewindvoerder mag een maandelijkse vergoeding en een aanvangsvergoeding in rekening brengen conform de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. De overige grieven van de rechthebbende behoeven geen bespreking meer.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de opheffing van het bewind tot aan de uitspraak en stelt het bewind opnieuw in met benoeming van een nieuwe bewindvoerder.