Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2013 en 2014, met name over de persoonsgebonden aftrekposten zoals kosten levensonderhoud van kinderen en specifieke zorgkosten. De rechtbank had de aanslagen verminderd en de bezwaren deels gegrond verklaard.
In hoger beroep stond centraal of de Inspecteur voldoende rekening had gehouden met de aftrekbare kosten voor levensonderhoud van de zoon en de specifieke zorgkosten. Het hof bevestigde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kosten voor levensonderhoud van de zoon in 2014 voor ten minste € 750 per kwartaal op haar drukten, mede gelet op het inkomen van de zoon en het ontbreken van bewijsstukken.
Ook voor de specifieke zorgkosten stelde het hof vast dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd dat deze kosten daadwerkelijk op haar drukten en dat ze medisch noodzakelijk waren. De Inspecteur had daarom terecht de aftrek geweigerd. Wel werd het hoger beroep gegrond verklaard voor zover de Inspecteur de aanslagen ambtshalve verder had verminderd op basis van later overgelegde gegevens over rentebetalingen eigen woning.
Het hof vernietigde de uitspraken van de rechtbank en de Inspecteur, stelde de aanslagen IB/PVV voor 2013 en 2014 definitief lager vast, en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten en het griffierecht. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 2 april 2019.